VAN JAPAN I. Boek III. Hoofdst.
groet wordende onder het drievoudiglosbranden van vyf stukken. Met de-zelve wind stierden wy Z. O., om in5 t ruym te komen, en ons daar te bedie-nen van de zuyder passaad wind, met'welleen wy moesten stieren N. N. O.langs de kusten van Cambodta , Cochin-Cbina , en China , naar de haavens van Japan.De lezer gelieve aan te merken, dat indeze Oosteriche’ gedeeltens van Malaccanaar Japan , de winden gestadiglyk ge-duurenden vier maanden Ij., en Z. W."Waayen, welke tyd genoemt word hetzuyder of wester taifoen of Monsoen , dan"Weder vier maanden N. N. O., ’t welkgenoemt wordt de nöordcr of ooster
Monsoen • tulleken deze twee getyden,Zyn twee maanden, geduurende welke de^zlnd altyd verander!yk is, van de een°f d’ander afscheidende tot dat zy zicheindelyk zet in de tegensteldc. Het ge-beurt evenwel in sommige jaaven, dat,tot een groote te leurstellmg der zeevaa-fende, deze passaad winden zich eenige"Wecken vroeger of laater zetten , danna gewoonte. Deze zaisoenen heb-ben ook plaats in andere gedeeltens derIndien , alleenlyk met dit onderscheid,dat volgens de gelegenheid der landen,der standen, en der zeen, de wind meerof min gestadig O: of Vs. waayt, om■Welke reden deze maanden genoemtWorden de ooster of wester Monfien. Nadeze Monsoens moet alle de zeevaart inde Indiën en in Jsia gericht worden. Indezen tyd hield het wester Monsoen aan,onder welker begunstiging wy onzenstreek rekenden te moeten stellen, zo rasals wy uyt dezen golf of bâay zoudenzyn geraakt. En zo wonden wy beydeonze ankers op met een volkome goedehoop , welke wy evenwel ras mistuktfcagen, na dien de wind ontrent het zuy-den liep, rechtdraads tegen onzen streek;? ‘° dat wy met ’t over eenen anderenboeg te wenden, met stil te leggen, deankers uyt te laten en weder op te win-den na dien het weder veranderlyk, ensomtyds zeer ruuw was, veele dagenverspilden , zonder iets van belang tevorderen. Ik zal den lezer niet vermoe-}’en met een verdrietig verhaal van deverschelde winden en ’t weeder, en an-dere kleine byzonderheden van onzevaart, gelyk ik dezelve neergestelt hebm myn dag-boelc en de kaart, en daar-om zal ik alleenlyk het zaakelykste, inzo weinige woorden als ’t mogelyk , isaan roeren.
.. O? den 2.Z. J t ,i v Z ynde Zondags ver-lieten wy de Kusten van Stam , en debergen van kso, C n zey iJ en de golf over
| zuyd-oost stierende;op den zes en twin-tigsten zagen wy een lang en laag Ey-land Pulipanjang , eenige weinige uuren Pulipan-van ons O. N. Oost leggende , wer- jang.waarts wy onzen streek zetteden. Opden zeven en twintigsten bereikten wyhet Eyland Puit übi , ’t welk zaamge- p u ii ubLstelt scheen uyt hooge bergen en verschel-de kleine Eyïanden. Wy lieten het on-trent vier mylen van ons aan bakboord.
Op den acht en twintigsten zagen wy1 ‘ecbt voor ons het groot Eyland Puli Puli Con-Condor. Het behoort gelyk ook het dor -voorgaande aan den Koning van Cambo-dia en is onbewoont, doch met een goe-de haavenen versch water voorzien. Wyzeylden langs het zelve heen , latendehet ontrent drie uuren aan ons stuur-boord , en kort daar na ontdekten wyrecht uyt voor ons aan bakboord tweerotzeil, tusschen welke wy N. O. heenstierden,de wind tot dien tyd toeZ. W.zynde gebleven. Op den negen en twin-tigsten des morgens merkten wy dat destroom van de rivier van Cambodia onste ver uyt het gezicht van ’t land gedre-ven had , ’t welk wy poogden te her-winnen door het naar ’t noorden te hou-den, en bevonden Tjiampa te zyn. Wy Tstampa,liepen zo geweldig voort met de stroomnaar het N. N. Oosten, dat wy, over-denkende de onzekerheid der dieptens indeze gedeeltens, hoewel wy zeer voor-waarts geraakten, besloten, het anker telaten vallen, ’t welk wy vervolgens de-den zo ras als wy grond vonden,en daardien nacht bleven. Op den een en der-tigsten hadden wy aan de eene zyde,twee of drie uuren wydt afgelegen eenzeer hoog envreesselyke wal,welke zichop den eersten en tweeden van Oogst-maand iets laager vertoonde , een kaal,onvruchtbaar en schraal gezicht geven-de, ’t welke somtyds naar het N. Oost-ten , somtyds naar het Noorden trok.
Langs dezelve vervolgden wy onzenstreek, met ’t dieploot geen grond pey-lende , met een zachte wind en schoonweeder ; in den avondstond bevonden wyons een weinig boven de Eyïanden Puli Puli Catii-Cambir de Terra , aan ’t eind van ’t land birdeTer-van Tjiampa , en aan de zyde van ’t Ko- ra ‘ninkryk van Cotjtn Tjina , langs welkerkust wy heen voeren. Op den vierdenjîugujli quamen wy in ’t gezigt van ’tEyland Cantaon , ’t welk wy ’s namid- Cantaoir.dags achter ons lieten. Op den vyfdest•stierden wy N- N. O. met een Z. enO. Z. Ooste wind,om de baay van Ton-quin over te vaaren. Op den zesden ’tweer zeer stil zynde, nam ons bootsvolkde gelesentheid waar om te visseben, ’ cE welk