Sommigeaanmer-kingenover deHaayen.
Zuygende
Visch.
34 DE BESHCRYVING
welk hen zeer wel gelukte. Daar was'er onder anderen een, die met zyn haak,waar aan hy in plaats van aas een glin-sterend stukje tin gedaan had, twee Haa-yen vong ( Hayes of Tuberones ) van eenmiddelbaare grootte, en kort achter denanderen, welke door behulp van eenlyn om hunne lichaamen gebonden ín hetschip getrokken wier den. Dit soort vanvislchen is zeer menigvuldig in alle deIndiaansche zeen. Zyn volkome langteis tien of twaalf voet, het vlecsch hard,en zeer leclyk van smaak. Het wordgehouden voor den wreedsten van allezee-gediertens en eenen grooten vyándvan 't Menschelyk gedacht, waar tegende zeeluyden zeer op hun hoede moetenzyn, wanneer zy zich gaan baaden. Ditis de reden, waarom Athen'èus hemnoemt Jnthropophagos , of den Mensch-eeter. Hy heeft een wyden mond, nietin het voorste gedeelte van ’t hoofd,maar een weinig laager,om welke redenhy zich moet op den rug keeren, als hyIpys van boven neemt. Drie dingesschynen my in dezelve aanmerkelyk:i. fien zeldsaame kleyne visch aan dezyde van den eenen kleevende , en ’tvleesch met zyn bek zo vast houdende,dat men dezelve met geweld moest af-trekken ; dezen kleynen visch noemen dezeeluyden Zuyger. 2 . Daar waren inden buyk van dezen Haay zes jonge le-vende , yder anderhalve span lang. Menzegt, dat deze jonge in en uyt den buykvan den ouden kruypen, voor zy groo-ter worden, ’t Was my ommogelyk ,de docnlykheid en waarheid van dit ge-zegde te onderzoeken, vermits de Zee-luyden al te schielyk waren om hem aanstuk te snyden , te kappen, en naar dekeuken te slepen. 3. In ’t achterdeelvan ’t hoofd dezer twee visschcn naastaan ’t hoofd,lag een goedt deel van wit-te stof, gelyk kreefts oogen, in een dunvliesch omvangen , ’t welk zy zorgvul-diglyk bewaarden , als een beproefd ge-neesmiddel tegen de steen, en zwaaienarbeid der vrouwen.
Kort daar na vong een ander een zeerfraaye Zeestar met negen itraalen, welkeniet ongclyk was aan die , welke wyvongen op de kusten van Malacca op ón-ze reys van Batavia naaf Stam , onnodigom hier verder te beichryven , nadienik ze in myn dagverhaal van die reysbeschreven heb.
Maar hier ter plaats moet ik niet ver-'geten aan te merken, dat wy dezen ende voorgaande dagen vernamen zeer vee-le zekere zee gediertens, welke wy metrecht mogen noemen Ichtyotbnrk , of
EN GESCHIEDENIS
Zeekatten ; om dat zy iets gelyken na zed ai! 'visch, en ook dienen tot voedsel van denmenfeh. De Neerlanders noemen zeook Zeekatten , na den naam die men zein dit land geeft , welke even zo veelbetekent. Hun vooiste gedeelte gelykteen Polypus Marimis ; een Zee-veel voet,gelyk als met fnuyten voorzien, negenontrent in getal , en van een verscheidelengte. De buyk is geheel ledig, bovenopen, en kan opgeblascn worden ; hetvleesch is doorscheynend zonder beenenof zenuwen. Indien ik my niet vergis-se, heeft Bontius deflèlfs gedaante en af-beeldsel beschreven,waar aan ik my ge-draage, alleenlyk daar by voegende, datde mond tustchen de lcaaken bekleed ismet een vlies , onder ’t welk zyn tweezwarte, dikke-en kromme tanden,d’eenboven d’ander , sterk . genoeg om dehardste voorwerpen te vermorflelen.
Tot op den zevenden Augusti tennoordoosten gezeylt hebbende met eenZuyde en zuydwester koelte , zonder ce-nig land te zien, begonnen wy de hoog-te der pool te nemen, zo dikwils als wydoor de wolken niet verhindert wierden,welke wy op den achsten bevonden teZyn 19. graaden 21. minuten; op dentienden 21. en 4. op den elfden, 22. enIZ. Toen wy deze laatste hadden ge-nomen , ontdekten wy voor ons uyt ee-ltige der bergen van Fokicn , een Provin-cie van China. Op den twaalfden ’s mor-gens bevonden wy ons zelven twee my-lyn van de kusten van China , alwaar degemelde gebergtens eindigen, en ’s naar-middags na by een beruchte zandplaat,langs welke de schepen van China en Ja-pan komende, naar Batavia zeylen. Hiervonden wy een groot getal Chine escheViiTchers pinken en menschen,vislchen-de, en verder af telde ik vier en dertigVistchers zeylen. Een weinig tydts tevooren wierden wy aan boord geklamptdoor een Pravoe , afgezonden van eenChineesche Jonk , die ons een deel tabakaanbood te verkoopen. Dezen avond 1veranderden wy onzen streek om ’t Zuyi 7 ArLamos te myden, ’t welk wy gisten datnaby was, wordende in de kaarten ain-gebeeld door twee of drie laage klippen,op 2Z- graaden tien minuten. ' Op dendertienden van Oogstmaand zynde Zon-dag , ontdekten wy die gemelde klippen,weinige mylen afgelegen aan ’t bak-boord , en slierden ’er langs heen door hulpvan den stroom, zynde de zee en luchtstil. ’s Avonds zagen wy diergelykeandere klippen aan dezelve zyde, welkewy op dezelve wys voorbysteevenden,en toen N- O. ten O. stierden. Ik ge-
wage