Bergen.
*88 DE BESCHRYVING EN GESCHIEDENIS
ícheide Provintien , en de Prinstèn vande n Keyzerîyken bloede , vinden ophunne reyfèn , yder twee of drie uurenvan den anderen, Hutten of Prieeltjensvan groene takken voor haar opgerecht,met een geheim vertrek , in, welke zykunnen ingaan voor hun vermaak of uytnoodzaakelykheid. De Opzienders overde groote wegen hebben niet veel moey-te in volk te vinden om dezelve te on-derhouden en schoon te maken; wantal wat de wegen vuyl en morsig maakt,is van eenig gebruyk voor de nabuurigeBoeren , zo dat zy 'er veel eer om stre-ven wíe de eerste is om het van daai Wegte voeren. De Pynappels , takken enbladen die dagelyks van de denneboo-men vallen, worden by een verzamelttot brandstof, om ’t gebrek aan hout,dat op sommige plaatièn zeer schaars iste vergoeden. De paarde mest legt ookniet lang op den weg, maar word rasweggenomen door de arme Boeren Kin-deren, en diend om de Velden te mesten.Om dezelfde reden word zorg gedragen,dat de drek der Reyzigers niet verloorengaa, en daar zyn op verscheide plaatiènnaby der boeren Huyièn , os in haareVelden , Secreeten gemaakt voor die zenoodig hebben. De oude Schoenen, vanPaarden en Menschen, welke als onnutWorden weggeworpen, worden in dezel-ve Huysen by een vergadert, en tot as-sche verbrandt, met der menschen drek,tot gemeene mist , met welke zy hunneVelden bemisten. De voorraadt van ditmorsig zaamenmengièl word bewaart ingroote Tobbens of Tonnen , welke be-graaven worden even gelyk met de grondin haare Dorpen en Velden, en niet ge-dekt zynde, uytleveren al zulken onaan-genaamen en verrotten reuk van radylèn( welke het gemeen voedsel is van deLand-Luyden) aan viesneuièn , als deZuy verheid en schoonheid der wegen aan-genaam zyn voor het oog.
Op verscheide plaatsen van het Landloopen de wegen over heuvelen en ber-gen , die zomtyds zo steyl en hoog zyn,dat de Reyzigers genootzaakt wordenzich over dezelve te laten dragen in Can-
gos, zo als ik ze in ’t voorgaande Hoofd-stuk beschreven heb,om dat men ze nietdan met zeer groote moeyte en levensge-vaar te paard kan overreyzen. Nochtansis dit gedeelte van den weg, ’t/welkmen in vergelykingvan de andere,slechtofquaad mag noemen, groenen aange-naam om den overvloed van boomenklaar water en groene boschjens, ’t g C -heele jaar door, maar inzonderheid in deLente, wanneer de bloemdragende boo-
men en heesters, gelyk de Fuji ^ FfubaàhSatsnki , Utsug; , \T mari qua , dan in haarenvollen bloeslèm staande, zulken aang e 'naamen schoonheid aan het gezicht ver*schaffen, en den neus met zulken frifl enwelriekenden reuk vervullen , datnaauwelyks het zelve elders zou kunnenvinden. >, _ _
Verscheide Rivieren , die wy ove*
moeten , voornamentlyk op lookaido, \o°'
pen met zulken vreesièlyken snelheid naaide Zee, dat ’er geen brug over de zelv ekan gemaakt worden, en dat ze met gec»Schuyten te bevaaren zyn , en dit te 11deden van de nabuurige Sneeuwbergen»daar zy hun oorsprong nemen , en tendeden door de menigvuldige plasregens >die ze zodanig doen opzwellen , dat#over haare Oevers stroomen. Deze R>'vieren moeten op ondiepe plaatsen wos'den doorwaadt. Menschen, Paarden, enBagagie worden overgei evert aan devoorzorg van zekere Luyden in d>lwerk opgevoed, die kennis hebben va 11den bodem der Rivieren , en van deplaatièn die ’t bequaamste zyn om doofte waaden. Gelyk deze Menschen v£s'antwoordelyk zyn voor het leven desReyzigers, en voor alle toevallen diehen mochten overkómen, stellen zy allehunne krachten, zorg, en behendigheidte werk , om hen met haare armen $
ondersteunen tegens de verwoedheid desRivier, en tegen de steenen die van deBergen afrollen , daar de Rivieren lw 11oorsprong hebben Door het zelve vo$worden de Norimons op de armen oves'gedragen.
De voornaamste dezer Rivieren is d cvrecslèlykc Ojinga'uia , die de twee Lai)d'schappen Tootomi en Surunga van elka* 1der scheidt. | A 11c Reyzigers zyn zeer b c 'vreest voor den overtocht van deze 11 ’niet alleen!yk om deszelfs ongemef^sterke en felle loop,maar om datze son 1 'tyds, inzonderheid na ’t geregent heest’
Zo hoog opswelt,dat zy genootzaakt A 11eenige dagen op een der Oevers te blYven , tot dat de val van het waterdoenlyk maakt, of tot dat zy de do 01 ,waading willen waagen, en begeeren ofhun eige gevaar overgezet te worden. VRivieren Fuji Jedagcrxa , en AbikaV#'de laatst gemelde Provintie zyn van " .
zelfden aard, doch niet zo gevreest- £ j
Daar zyn veele andere ondiepe en > ^tiuiloopende Rivieren, maar om dat zsver na zo breed niet zyn dan de vo 01 &^melde, ook in ver na zo snel niet,den de Reyzigers in Schuyten oV clzelve gevoert, welke gebouwteen byzonder fatsoen, dienstig v° 01 £Cil