-86 DE BESCHRYVïNG EN GESCHIEDENIS
Gevolg Keyzerlyké Wapenschild in ’t góud ge-van den borduurt ; omtrent den middag vólgde
Prins van à Prins zelf, met een zeer kostelyk,Kynokum. ^îhtigentalryk gevolg, voorttrekken-de in de volgende ordre. Twintig man-nen met bekleede Snaphaanen gingenachter malkander, na deze volgden twin-tig andere met groote booge en pylen,toen twintig met lange boute stokken ,tulichen hen trokken verichdide met pie-ken, en sommige met geverwde dooien,in welke waren schiet en zydgeweer,daar aan volgden vier paarden, op denrug van het laatste stónd een zwarte stoel,opgeschikt met twee pluymen, zulke alszy aan de toppen van de pieken doen. DePaarden,tuyg en toom waren allezwart;voor en achter de paarden reeden eenige‘Heeren te paard, en andere wandelden tevoet, dragende sommige pieken, en drieofviervaendels van zwart en witte veeders.Daar op volgde de Norman van denPrins , waar voor gingen twaalf man-nen. Omtrent twintig treden daar vanhielden wy stil, en uyt teken van ach-ting Steegen wy van onze paarden, ennamen onze hoeden af. Gelyk hy opeene langzame tret voortgedragen Wierd,zonden wy onzen eersten Tolk om hemte begroeten, ’t welk hy beantwoordezeer beleefdelyk, zyn hoofd buygende,en ons een goede reys wenschende. Hyscheen omtrent dertig jaaren oudt, bruyn-achtig, mager van aangezicht en teervan gestalte, doch had een aangenaam enstaatig, gelaat. Na zyn Norimon volgdensommige van zyne Dienaaren en pielc-dragers te paard. Toen «pramen deHofmeesters en andere voornaame Bedien-den van zyn Hof, met hunne eige pielt-dragers , knechts en talryke gevolgen,in alles niet min dan duyzend menschennytmakende, alle hunnen Prins en hun-ne Meesters volgende,in zodanigenstilleórdre en vreedzaamheid ,dat wy ons ver-wonderen moesten over züllcen menigtevan volk. De Prins van Kynoktmi is vanKeyzerlyken bloede. Hy heeft een zoon,Hu tegenwoordig tot Jedo , die in ’t kortstaat te trouwen met des Keyzers doch-ter , eene jonge Princes van elf jaaren. Wyquamen omtrent ten vyfuuren des avondsin onze Herberg, onder het moedwilligen tergend geschreeuw van een hoopschelmachtige jongens, die ons achter na-liepen'.
Op den zevenden vervorderden wy on-zen weg, en reesen ’s morgens vroeg op,Wy wierden in Cangos gedragen tot aanFakona , alwaar wy’s middags aten, enons gezegt wierd, dat niet ver van daarWas te zien de plaats, daar Konginkami
wierd geflaágen en gedoodt. Na déneeten verlieten wy Fakona , en quameneven na ’t ondergaan der Zon tot Misyma.
Niet ver van Misyma staat een vermaardeTempel, op een groote plekLand$,methartsteen ge vloert. Niet ver van daar iseen Vischvyver. Van den Berg Fakonaaf komende merkten wy op , dat hetLand West Zuydwest naar Zee loopt,Welke omtrent twaalf mylen afgelegen is.Niet ver van Misyma wierden wy ont-moet, en waarlyk zeer lastig gevallen,door troppen van Zoonen en Dochteretlder Jainmabns i die ons beedelende aandee-den, sommige met zeer veel stoutmoe-digbeit , andere met een weinig meerschaamte en Zeedigheydt.
Drie utiren voor ’t aanlichten van dendag verlieten wy Misyma op den achsterid pril. De reden waarom wy zo vroeguytreeden , was , om niet te ontmoetenden Prins van Owari, die getrouwt wasmet des Keyzers Zuster, en toen totNmnidzu was , een plaats maar ander-half’ uur van Misyma gelegen. Evenwelontmoeteden wy verschelde troppen vanhet gevolg van dien Prins, Rentmeestersen Kanceliers in Norimons , reyzende ingoede order en vreede, door behulp vast’t Licht der Flambouwen enLantaarens,dewelke in de huizen aangestoken , ofaan de bovenste toppen derzelve opge-hangen waren. Sommige dezer Kancelliers of Rent-en Hofmeesters, van wel-ke ik nu by geval spreeke, verzeilenhunne Prinflen veel eer als verspieders,dan in eenige andere bediening. Tot dien 7einden worden zy genomen uyt ’s Key-zers eige en getrouwde Huysgenooten , enhun werk is een waaleend oog te hou-den over de daaden en’t gantsche gedragvan den Prins, aan wien Zy gezondenworden , en kennis te geven aan 't Hoftot Jedo van alles, dat aan haar Hof om-gaat. Onze Herberg verlaten hebbende,quamen wy ras aan de brug Numidfu , Ni 1 " 11die niet ver van daar legt.Toen quamen wyin de voorsteden van de plaats, bestaandeuyt omtrent duyzend huyièn, en weinigtyds daar na in de plaats zelf, alwaar wyde beedelaars en Munnikeu niet slaapendevonden, schoon het vroeg in den moi>gen was, want zy vielen ons zeer lastig,zingende en ratelende al dewyl wy ver-by reeden. Wy zagen sommige der Jsjepelgrims in het ope veld flaapen. VanNnmidfu reysden wy omtrent eene mylWest ten Noorden, dóórtrekkende ver-schelde dorpen, daar der boerenkinderenons om aelmoestèn aanspraken, huppe-lende en rollende over malkanderen, enveele andere kluchten en kaprioolen to°"