VAN J A P A N. V. Boek. X!II. Hoofdst. 387
nendc , tot dat wy quamen aan ecnebrug van omtrent honderd treden lang,dewelke ons verder naar de rechterhandvan de Zee afleyde. Toen quamen wyaan een groot schoon dorp, en door ver-schelde vruchtbare ryst-velden trekken-de, die aan onze rechterhand leggendeaan den voet van de naburige bergen, enaan onze linkerhand voortliepen naar dcZeekant, bereykten wy Softesvwara ; vandaar gingen wy voort Zuydwest ten wes-ten tot aan Fifikama, alwaar wy quamenop een Nieuwe weg, gemaakt op dekosten van den Prins van dat Land. Vandaar reeden wy noch Westelyk voort,maar namen ras Cangos om gedragen teworden over de bergen naar Akambara ,van daar naar het dorp Katta ftamma , vanhier weder naar Otóz door een zwaarenen {ongelyken weg. Tot Okitz steegen wyweder te paard ,en reeden dus naar Jeferi ,Alwaar wy ten vyf urnen des avonds aan-quamen, en den nacht bleeven, hoewelniet in dezelve Herberg, in welke wy inhet naar ’t Hof reyzen overnacht hadden.Daar zyn eenigc Goud en Zilver mynenin de bergen Kom , in de nabuurschapvan 'jejeri , doch worden tegenwoordigniet bewerkt.
Op den negenden April, onze Her-berg vaarwel hebbende gezegt, reysdenwy omtrent den tyd van een hals uurver door een vruchtbaar , schoon, aan-genaamt Land , gelegen tuflchen tweeBergen; waar na wy quamen op een en-ger en hollerweg, die ons tot Syrïngabrocht, alwaar de bergen in eene vlakteeindigen, dewelke zich zelf zo ver uyt-strekt, dat men met het bloot oog heteinde van dezelve niet bereyken kon.Van Syringa quamen wy aàn de RivierAbikava , toen tot Mariko , alwaar wyomcingelt wierden,door een hoop stoutebeedelaars van beide sexen. Niet ver vanhier was een houte hut, behoorende aaneen Munnik, waar in hy bewaarde enaan de bygelovigen toonde een groot ver-guld Afgoden beeld , van de GodinneQuannon , met twaalf Armen, van wel-ke’er twee, staande voor haare borst, y-der een kind hield, twee andere hield zyboven haar hoofd, en de andere stondenuyt op haaren rug. Verschelde kleinerbeelden vercierden haar hoofd, gelyk alsmeteen Kroon of Tuyltje, waar doorbetekent wierd , dat zy eene gelukkigeMoeder was van menig vergoded Held.Ja zelf, de Japoneescn zien dit Afgoden-beeld aan, als een zinspeelende vertoo-ning van de Geboorte der Goden in ’talgemeen. Van hier quamen wy aan hetDorp Utznoja, zynde de weg doorgaans
krom , van daar aan het dorp of lieverStad Okabe, alwaar wy aten. Na denmaaltyd vervolgden wy onzen rys tePaard, en traden ras in de Heerschappycnvan Ota 'Ifino Cami , Stads voogd vanOfacca , en langs zyn Kasteel trekkende,quamen wy tot Fust Jeda , een Stad vanomtrent zes honderd huyfen, van daartot Si mária, door een Bergachtig, en opsommige plaatsen zeer gevaarlyke weg,van hier aan de snel loopende Rivier Rivier CMOjingava , dewelke wy omtrent een vierde jmgava..myl breedt bevonden, en door welkenwy doorwaadt wierden. Daar is eenbyzonder A mpt of Bediening om te be-zorgen dat dc menschen door deze Riviergebracht worden , dewelke zo snel loopt,dat ze met geen schuyten is over te vaa-ren. Meer of min menfehen wordenaangestelt om yder persoon over te bren-gen na dat het water hoog of laag en nadat dc snelheid van de Stroom is. Elkeen van ons had drie menschen, die hemop pasten om over te brengen ó en aaneen ygelyk van ons wierd gegeven eengeolyt papier, ondertekent door de Kler-ken van dit Comptoir door welke zeverkocht worden tot een gezetten prysvan twintig tot honderd Casus yder, nahet gevaar en ongelykheid van den O-vertocht, en het nodig getal van men-schen. Zy koopen dezelve naderhandweder in voor een geringe prys van degeenen, die de menschen doorwaaden, endie dezelve op haaren Eysch moetenvoortbrengen, als strekkende tot verze-kering, dat haare reyzigers veylig over-gekomen zyn ; want volgens de wettenvan het Land, zyn zy verantwoordelykvoor het leven hunner Reyzigers, in zover , dat by aldien ymand het ongeluktrof van te verdrinken, alle de geenenaan welke de zorg bevolen was geweestom hem overtebrengen , met de doodzouden worden gestraft. Behouden overdeze Rivier gekomen zynde, en de voor-noemde papieren weder gegeven heb-bende, trokken wy weder over sommigebruggen, en quamen toen aan de StadKanaja , alwaar wy in den avondstondaanlanden, en dien nacht bleeven.
Op den tienden namen wy Cangos, enwierden gevoert door de Stad Kanaja ,welken ik bevond te bestaan uyt omtrenttwee honderd huyscn , tot aan dc StadMïfisaka, anders Nitssaka , van daar aanhet groote Dorp Faranga, reyzende doorverschelde Rietvelden. Hierom is dezeStad een der vermaardstc van het Ryk,van wegen de beste handwerkselen vanRiete Matten en Schoenen. Toen qua-men wy aan een kleine Stad, by welkeCcc z wy