88 DE BESCHRYVING EN GESCHIEDENIS
wy wierden gevoelt in booten over eeneRivier, en toen verder gedragen in Can-gos tot Fammamatz alwaar wy even voorden avond aanquatnen en overnachteden.Aan deze zyde Missak a wierden wy omeen al moes aangesproken, door een jongkaerel, die moeder naakt ging, hebbendealleenlyk een weinig stroo om zyn mid-den gewonden, en houdende een piek inzyne rechterhand, zyne Hut was beplaktmet Beelden van Heyligen en Helden.Wy wierden ook zeer vreessclyk lastiggevallen, door jonge beedelende Lichtekooyen, dewelke zeer moeyelyk en on-beschaamt zyn op de wegen hier omtrent.In ’t midden van een veld vonden wyeen stervende Munnik. De arme kaerellag op zyn aangezicht, dat gantsch door-weekt was van ’t water, hebbende hetredelyk sterk geregent, maar hy gaf nocheenige teeltenen van leven, en ongetwy-felt zou hy kunnen zyn geholpen gewor-den. Zodanig ellendig voorwerp , zoumen denken, dat den hardsten steen totmeedogen zoude beweegen , maar wasvan geen de minste uytwerkingopdeon-barmhertigejaponeesen. Tot Fammamatz,wierd ons op een zeer vertrouwde wyzeverhaalt een zeldiaam geval, dat gebeurtwas aan een Isje pelgrim, die toen lagaan ’t Huys van een Monnik van dezeplaats. Hy had verlof gekreegen vanden Prins, in. wiens dienst hy was, omderwaards te gaan in bedevaart , maargeen al te naauwkeurige onderhouderzynde, van den reinheid en onthouding,die vereischt werd om deze heilige daadtte verrichten, had hy zeer onbeschaam-delyk te doen gehad met eene Hoere,terwyl hy derwaards opreys was, ’twelkden Goden zodanig vertoorende, dat totstraf van de godloosheid', het ontuchtigpaar door geen geweld noch kunst kon-den los gemaakt worden van haare zonde-lyke omhelsingen. Zy wilden ons ver-der doen gelooven, dat zy in dien staatreeds veertien dagen hadden gelegen, enbezocht en gezien waren door haare vrien-den en duyzende andere toekykers. DeJaponeeibn gelooven heyliglyk dat dierge-lyke gevallen dikwils en meest alle jaarengebeuren. Het Land aan deze zyde derbergen was zeer vruchtbaar, overvloeyen-de van Koorn en Ryst : Zo als ook dee-den de bergen,en heuvelen, van welke veelebeteelt waren tot aan de kruynen toe.Wy merkten aan, dat aan alle de Dor-pen daar posthuysen waren,zeven paaienwaren opgerecht met kleine vierkanteplankjens daar aan gehegt, op welke ge-schreven was , welke Prinflèn in ’t kortaan díe plaatsen zouden komen, op reys
zynde naar of van het Hof, en op wat dagzy wierden verwacht.
Op den zesden van Grasmaand gingenwy van Fammamatz in Cangos. Het haddien gantfehen nacht zeer sterk geregenten het regende noch. Fammamatz is eenStad van omtrent twaalf honderd huy-sen, ze heeft een staatelykc Tempel enKasteel, waar in de Prins woont. Zeheeft ,ook eene Voorstad , en poorten,enwachten aan den ingang. Het Landrontom is zeer vruchtbaar ; aan de lin-kerhand tot aan de Zee toe zyn niets danRystvelden, dewelke omtrent een myleweegs afgelegen zyn. Aan de rechterhandziet men eenige bergen. De weg vanonze Herberg te Fammamatz , was dríevierde van een myl recht en gelyk, waarna wy de linkerhand insloegen, en naeene halve myl reydens, weder op eengelyke en zeer goede weg raakende,qua-men wy tuflehen een aangenaam boselfaan onze rechterhand, en de Zee aan on-ze linker, aan hetgroote dorp Waggabasi,os liever Wackabejajt , of Wakalmji. Eenhalve myl verder quamen wy in een an-der groot dorp, Synovtara genoemt, aanwelkers ingang een pylaar was opgerecht,om den weg te wyzen naar de bygelegenplaatzen, mitsgaders derzelver afgelegen-heid. Het Land omtrent dit dorp, voor-namentlyk aan de linkerhand is wat steen-achtig. Niet ver van het zelve aan derechter begint een groote Golf, welkeden voet van sommige hooge en steylebergen beipoelt, dezelve omringende.Eene halve myl verder quamen wy totMajafacka , en denzelven weg vervolgen-de noch een halve myl verder, staptenwy uyt onze Cangos , cn wierden in deKeyzerlyke wacht-boot gevoert over deGolf naar Array , van waar wy onze reysvoortzetteden naar het dorp Fasyno , toendoor twee kleine dorpen naar Syraffika eenplaats van omtrent vyf honderd huysen.Hier van daanreeden wy op naar den bergFuzi, en toen weder afdrajende quamenwy tot Bambat of Saringabamba , van daardoor een bosch tot Fitangawa, een plaatsvan omtrent twee honderd huysen, gele-gen aan den voet van een pleyzierigbosehachtig gebergte. Wy deeden hiereen slechte maaltyd, en daar na onze reysvervolgende, quamen wy aan de stadJafiztda , of Jofida , dewelke het Kasteelmet welgeschikte straaten omringt. Aande linkerhand van deze plaats zag ik eenBergachtig Eyland, ’t welk ik giste datomtrent drie mylen breedt was. Ander-sints is al het Land omtrent Jofida vlaken gelyk, met eenig bosch aan de rechter-hand. Van sosda quamen wy tot Kofakkt
matz.