Tempelstot Mia.
o DE BESCHRYVING EN GESCHIEDENIS
de, quamen wy aan de kleine Stad Ari-mat(i , dewelke niet meer dan vyftig huy-ièn heeft. Van hier door een zeer goedLand reyzende quamen wy tot N arumi,van daar over een vlakte en brug, eenander groot dorp aan onze linkerhand la-tende , aan het dorp K affadira , en eenTempel van Kinmidz , alwaar men eenFeestdag vierden , en het Afgoden beeldQuanofmna aanbad. Men zegt dat 'er zul-ken tweeden Tempel tot Nagasaki is. Vandaar quamen wy aan het dorp Tobe ofJammasakki by sommige Kajjadira ge-noemt, een plaats van omtremt honderdhuyfen , van hier trekkende over eenebrug van vyf en veertig treden, geraak-ten wy wel draa in de Voorsteden en inde Stad van Mia , en quamen voor dendonkeren in onze Herberg Tot Miaontmoeteden wy eenige van de voorhoe-de, van den Prins van SuJJïma , die denvolgenden dag in persoon wierd verwacht,te Land van Quano , om naar ’t Hof tereyzen. Door Mia reydende , trokkenwy voorby een Myab of Sintos Tempel,die niet ver van het strand op eene ver-heve grond stond. Ze had twee poortenderwaardsleydende, en was omtrent vierjaaren geleden gebouwtop kosten van denHeer van die Provintie. Voor den Tem-pel zaten vyf Priesters achter elkander,zodanige mutzen dragende, als aan ’t Hofvan den Geestelyken Erfkeyzer. Tweeandere quamen des avonds aan onze Her-berg beedelen, de eene met bellen in dehand , gelyk de Jammabus dragen , deandère met een bondel papier. DezeTempel word genoemt Atzta , ’t welkbetekent de Tempel van drie Zwaerden,die derwaerds overgebracht zyn van Isje,en in zonderlinge achting worden gehou-den als heylige overblyflèlen. In dezel-ve plaats is .een andere Tempel Fakkin ge-naamt,dat is de Tempel van acht Zwaar-den, om dat sommige Priesters van dezel-ve orde zo veele zwaarden in haare be-waaring hebben, welke, zo zy zeggen,toebehoorden aan sommige van de groot-ste en oudste Helden van het Landt.
Op den dertiende vanGrasmaand gingenwy met het aanbreken van den dag totMia scheep, en zeylden met eene kleineLandkoelte over de Golf naar Quano ofKiuano , alwaar wy ten tien uuren ’s mor-gens aanquamen, fpysden, en weder vandaan gingen omtrent ten elf uuren. Datgedeelte van de Stad, dat wy eerst door-trokken had een krachtige wel versterkte poort, met twee wachfhuyièn, muu-ren en grachten, gelyk ook het Kasteel ;het middelgedeelte van de Stad was mederedelyk wel na 's lands manier versterkt.
Het derde en laatste gedeelte was omyan-gen met Wallen en grachten, doch dePoorten hier van waren stechs lompe ge-bouwen , niettemin trok 'er een sterkewacht op aan dezelve. Deze groote envolkryke (plaats verlaten hebbende, qua-men wy in eene groote wel bebouwdevlakte , dewelke ter rechtcrzydé grenstaan een reeks van hooge bergen, ter leng-te van vier of vyf mylen , met eenigelaage heuvelen tusichen beydej aan delinkerzyde naar de Zee, welke nietteminwel eene halve myl van den weg is. W yreysden door verfcheide groote Dorpen,van welke een vermaard is van wegendeongemene wetenschap der Inwooners omOesters en andere Schulpvislchen te be-reiden ; wy bleeven daar een weinig tyds,en quamen toen aan het Dorp Fonda ,daar na aan het Dorp Fatz of Fas , toentot Jokaitz , een groote Burgt ; van daaraan het Dorp Naga , de Zee steeds eengroote myl af naar onze linkerhand hou-dende , toen tot Ojmatzi een ander Dorp,en van daar door veele vruchtbaare welbebouwde Landeryen, in welke wy deboeren bezig zagen met mesten, het welkgeschied met menfehen drek, aan hetDorp Jakutz , of JJijakutz , alwaar wydien nacht bleeven, en door onzen waerdzeer uytnemend en buyten gemeen ont-haalt wierden.
Op den veertienden van Grasmaandverlieten wy met het opgaan der ZonneJakutz in donker, koudt, en windigwéder. Jakutz is een open Dorp zon-der Poorten ván omtrent honderd vyftighuyièn k Aan het einde van het Dorpstaat een Tempel, daar, toenwyverby-reeden,de Munnikenhunnen Godsdienstpleegden, volgens hunne manier, som-mige de Klok-luydende. Dit Dorp doorzynde geereden quamen wy in eeneruymcope vlakte, en altyd een zeer goede weghebbende met boomen aan weerkanten be-plant , quamen wy aan eene groote Ri-vier over welke gelegt was een lompe el-lendige en slechte brug, die ons brachttot aan een klein, doch pleyzierig DorpKmnmi Gawara. Van daar voortgaandeop eene zeer fchoone weg, quamen wyaan het lange Dorp Odamura , alwaar wywierden ontmoet door den Prins van Na-gatto, met een treyn van drie honderdmannen en twintig handpaarden. Hyhad slechs acht voetknechten gaan voorZyn Norimon ; wy vervolgden onze reys,Zonder van onze Paarden af te stygen,gelyk wy dit gedaan hadden uyt eerbieden achting voor sommige andere Prinslènvan het Ryk, en korts daar na quamenwy aan het kleine Dorp Kavjai , alwaar
wy