Kokura.
398
DE BESCHRYVÏNG EN GESCHIEDENIS
gunstig, doch niet ten eenemaal vast ge-zet zynde, quamen wy binnen een mylvan de Stad en het Kasteel van Sien'fi,alwaar wy op den middag het anker uyt-wierpen. Tegen den avond maaktenwy weder zeyl, doch de wind tegenloo-pende, wierden wy ras genootzaakt hetanker te werpen naby het Land, en diennacht het te laten leggen.
Op den dertigsten van April gingenwy s’ ochtens weer onder zeyl, maar dewind niet ten eenemaal gunstig, maarveel eer strydig zynde, geraakten wy vanonzen streek, en wierden genootzaakt hette wenden naar de kusten Bungo , die wyaan ons bakboord hadden, Wanneer wypoogden in eene haave te loopen omtrentzes mylen van Simomfeki , de wind fcbie-lyk byna in eèn storm veranderende,Zetteden wy alle kracht en macht by zoveel wy konden om aan Land te komen,gelvk ook het zelve deeden verscheldeschepen die met ons zeylden, en omtrentden middag het noch sterk blyvendewaayen, quamen wy ten anker in eenkleine Golf ofhaaven Muggo of Mukko ,naby een dorp of Berg van dien naam,zes mylen van Sienft en achtien van Si-monofeki. De mond van deze Golf wasnaauw, doch de Golf zelf wyd en ruym,maar ondiep, en by laag water halfdroog, wanneer de Inwooners Oesters enSchulpvistchen op het strand verzamelen.Omtrent eene myl van Mukko aan dezel-ve Golf legt de kleine Stad Mito Ziri.Wy zagen dezen dag verfcheide Wal-viflchen van dat slag, ’t welk de Neder-landers noemen Noord Kaapers. EenHeer met een gevolg van zeven schepenmet blaauwe zeylen,zeyldeons verby,dochde wind tegen onzen streek zynde, wa-ren wy genootzaakt op het anker teblyven, zo als ook deeden acht schepennaar Simomfeki moetende.
Vroeg ’s morgens op den eersten vanBloeymaand, quamen niet ver van onsten anker eenige barken van den Prins vanTfukingo. De wind begon niet gunstigVoor ons te waayen voor vyf uuren desnaarmiddags, wanneer wy aanstonds dezeylen opheysten, en in weinige uurenquamen tot binnen een myl van MottoJam,na , e n van daar door zaamgevoegdehulp van wind en riemen tot Simomfeki ,alwaar wy ’s avonds laat aanquamen.
Op den tweeden verlieten wy onzegroots bark, en wierden in twee ipeel-schuyten over de straaten van Si monoskigcvoert naar Kokura , ’t welk eertydseenvolkryke en bloeyende. Stad was, maarveel van haare oudtydfchc heerlykbeidverloren heeft zedert de verdeeling van
de Provincie, aan welke ze behoort. Zebestaat uyt drie deelen, of drie onder-scheidene steden, en word eeniger maa-ten beschermt door een lompe muur,fléchs gebouwt van Tichelsteen en houtnaar de kant van de Zee, daar ze op ’tengste is. Na den eeten gingen wy tepaard van Kokura. Omtrent twee mylenvan daar maakt de Zee een groote Golf,aan welke legt de Stad Kmofakki , welkewy doorreeden. Anderhalve myl ver-der , quamen wy aan het dorp Koosiakf yvan daar na een uur reyzens aan eenklein dorp , daar men kooien graasde,eene myle verder van hier tot Rujmiofse ,alwaar'wy ’s nachts in een slechte Her-berg bleeven.
Op den derden Mey rceden wy van Ka-janofjè over een dyk langs de Rivierkantopgeworpen, en quamen aan de dorpenTonno en Nagatta , van welke wy het ee-ne aan onze rechter, het andere aan onzeLinkerhand hadden. De Valley doorwelke wy reysden was niet boven eenhalve myl breed, met hooge bergen aanweerkanten. De naaste plaats daar wyaanquamen was het Dorp Kaifmo ; vanhier geraakten wy tot Kootaki, toen aande twee dorpen Kawojso genoemt, in ’tgezicht van het dorp Kamtmfjnza en drieandere, welke alle wy aan onze linker-hand hadden. Het land hier omtrent be-gint vlakker te worden,en wy quamen,in het gezigt van vruchtbaare en veelbeteelde velden, aan het dorp Tababukroof Kawabuktiro , van daar aan het dorpKatafyma , toen aan de twee dorpen Ojagenoemt, van hierdoor TatiwatotItzk« %eene kleine Stad van omtrent twee hon-derd huyzen. Wy hielden ’t middagmaaltot ltzka. Na den Eeten wierden wy ge-voelt over de Rivier, die langs dezeStad loopt, en quamen toen aan het dorpTent om atz , vandaar, de dorpen Taromaaan onze rechter, en Tfbakki aan ons lin-kerhandt latende, quamen wy tot Naga-vja, een redelyk lang dorp, ’t welk teneenemaal oploopt naar den voet van eenenberg, naby welken het legt, van daartrekkende door dríe kleine dorpen, Oi~matz , Jok o ende Jameis quamen wy aanhet groot dorp Ùtfyno , alwaar wy aan-merkten , dat de Vrouwlieden zeerfraay waren, grooter, en van een veelaangenamer en mannelyker gelaat, danzy doorgaans in deze Provintie zyn.Eene kleine myl in deze plaats gerusthebbende, wierden wy in Cangos gedra-gen naar Mis Jama , alwaar de Vrouws-personen alzo vermaart zyn van wegenhaare groote zedigheid, en deugdfaam ge-drag, als om haare ongemeens schoon-
heid’