Khuriíïi-
ma.
Syrr.odsui.
410 DE BESCHRYVING EN GESCHIEDENIS
den \vy een dorp en kleine boesem aanonze linkerhand, en aan onze rechter hetEyland Intima. Een halve myl verderquamen wy op de hoogte van het EylandTJirwano Marofma , van daar na verloopvan twee mylen aan het Eyland en de ha-ven Tsuvio, en eene halve myl verderaan het dorp Natva^ alwaar wy met hetondergaan der zon het anker ontwierpen,hebbende dezen dag in ’t geheel afgeleydzeven en veertig watermylen.
Op den negenden Maart gingen wy we •der s’ochtens vroeg onder zeyl doch dewind ras gaande leggen, vorderden wyzeer weinig,en den gantschen dag lavee-rende, konden wy niet verder komen,dan tot Mitarei , alwaar wy ten vier no-ren ’s namiddags het anker uytlieten, metmeer dan dertig andere schepen, onderwelke 'er twee waren met jonge hoerenaan boord, welke zy den reyzigers aan-boden , zeylende van schip tot ichip.
Op den tienden Maart maakten wyzeyl met den dag, en de wind zeer gun-stig zynde, lieten wy de straaten van Fa-mgitri aan ons bakboord, en namen on-zen streek naar stuurboord om Kburiffima ,’t welk de woonplaats is van een kleinePrins, wiens heerichappyen bestaan innegen nabuurige Ey landen, behalve eenkleine streek Lands, ’t welk hy heeft naby Fireftjna , op het vaste Land van deProvintie Aki. Schoon zyne Zetel slechsklein is, scheenen de huysen echter zeernet en fraay. Twee mylen verder zuyd-oost hadden wy aan onze rechterhand deStad en ’t Kasteel Imabara , de woon-plaats van een zoon van den Prins vanKymkuni. Het Kasteel inzonderheid scheente zyn een groot en ruym gebouw meteene prachtige tooren. Wy stuurden toenOost,zeylendetusschen verscheideEylan-den , en voor ’t ondergaan der zon, qua-men wy te Symodsui , eene kleine Stadvan omtrent vier honderd huysen of meerlangs den oever gebouwt, met eene hart-steene muur , op drie onderscheideneplaatsen, zynde zo vecle gedeeltens vande stad, ydev door een Joriki geregeert.Langs den rand van den Berg, aan wel-kers voet deze stad legt, is een ry witteDenneboomen geplant, zo als ook beplantzyn de heuvels en bergen van de meestenaby gelegene Eylanden, ’t welk een,keurlyk schoon gezicht verschaft, nadienderzelver toppen van verre sehynen, alsof zy met franjens waren behangen,(liet de gy Tafel.)
Op den elfden de zee byna als in eenoogenblik stil wordende , vreesde menvoor een storm, waarom wy onze mastneerlieten en ons zeyl innamen. Wy voe-
ren niettemin uyt voor ’t opgaan der zon,en spoeden ons zo veel als wy kondenmet roeyen, maar korts daar aan eeneschielyke vreesielyke storm ontstaande uythet west zuyd westen, wierden wy ge-noodsaakt zes ankers uyt te laten, zyndeeen goed einde weegs van de baay, daarwy veel veyliger hadden kunnen op'tan-ker ryden. Dit alles geschiede op bevelvan onzen quaadaardigen eersten Tolk,die ons het vermaak van de stad benyde,en het veylig ankeren aldaar in gezelschapvan andere schepen. Wanneer ik hemden volgenden dag vertoonde, voor wel-ken gevaar hy ons door zyn eigenzinnig-heid en quaadaardigheid blootgestelt had,en dat het ten eenemaal ten zynen lastezoude zyn gelegt geworden, indien onseenig ongeluk overgekomen was, gaf hyvoor, dat het om geene andere reden ge-daan was, dan om dat wy des te geree-der zouden zyn om voort te zeylen, wan-neer de storm overgewaait was.
Op den twaalfden de storm ophou-dende, en de wind verminderende,dochgunstig voor ons waayende, maakten wyzeyl, en quamen ten drie uuren des ach-ter middags in de haven van Muru ten an-ker , hebbende dezen dag in ’t geheel af-geloopen twintig zee mylen. De Havenvan Muru was toen vol schepen en sehuy-ten, van welke ik ’er meer dan honderden vyftig telde. (Ziet de 35 tafel.)
Op den dertienden derzelver maandgingen wy met eene kleine koelte onderzeyl ; kort daar na wierden wy van eengroote stilte overvallen, om welke redenals ook om dat het reeds over den mid-dag was,toen wy te Fidjtmi quamen,wybesloten weder naar Muru te keeren ,’t welkvyf zee mylen van daar legt, alwaar wy’s namiddags ten drie uuren ten ankerquamen. Fimedfi is een stad met één groot Fitnes'Kasteel en schoone tooren, doch heeftgeen haven , noch eenige goede anker-grond, zynde den bodem ondiep, en o-ver al daar omtrent klipachtig. i
Op den veertienden bleven wy in dc '
haven van Muru ten anker , nadien hetstormachtig wê'der was.
Maar vroeg’s mórgens op den vyftien-den gingen wy onder zeyl, en quamenten twee uuren ’s namiddags ten anker inde haven van Fioago, alwaar wy kleineschuytjens namen, en in den avondstondtot Ofacca in de haven quamen, alwaar wyonzen waard ontmoeteden, die met ver- j
scheide Ipeelfchuytcn opgekomen was, j
tuflehen zes en zeven uuren des avonds,om ons volgens ’t gehruyk de rivier naaf j
die stad op te brengen.
Op den zestienden r
usten wy uyt van