4*8 DE BESCHRYVING
op een plank, met eenige geschreven pa-pieren in het water hangende, en sommi-ge Skimmi takken by dezelve leggende.De priester nam t’elkens eenige van dezeSkimmi takken, bond die aan een stok,doopte die in het water en waschte devoorgemelde tafeltjens, om de zielen derperibonen, welker naamen op dezelvegeschreven waren te verkoelen en tever-verschen. De Lezer zal zeer licht kun-nen geloo ven, dat zo veel moeyte niet omniets wierd gedaan. De bygeloovige Ja-poneeièn gaven hem overvloed van Kasjes ,misschien om te bidden voor haare zielen,hoewel dat de schelm zo zeer uyt blonkuyt de oogen van dezen priester, dat hyzeer wel geleek zelfs gebeden nodig tehebben om voor hem te doen. Van daarquamen wy kort daar na tot Kio , toentot Jamafynokio , en aan de wegen, die terrechterhand naar de Kurodanna , en een. weinig verder ter linkerhand naar de Gi-•zvow Tempel loopen, toen aan de vermaar-de brug Sanjtonofas , en dus eindelyk aanonze herberg tot Miaco, omtrent een halfuur na zonnen ondergang.
Weder- Op den negenden Mey ontfing onzeMuées t0t Ambassadeur e:n geschenk van vyf tab-berds van den Opperrechter van Miaco ,de twee Gouverneurs dier stad zondenhem yder vyf Schuits voor een geschenk,welke opgewonden waren in papier, engeleydop het midden van een plank, Zoals het des Lands manier is wanneer zyaan elltanderen geschenken zenden; opdezelve plank lagen vyf toegevouwe brie-ven, yder met een byzondcr opschrift,en een Schuit zilvers in dezelve. Op denzelven dag wierden ons verschelde din-gen en goederen die te Miaco gewerktworden, te koop geveylt. Ze wierdendoor onze eige Japoneefche knechts bovenop onze kamer gebracht, om dat het aan dekooplieden niet toegestaan word ons tezien. Ja zelfs waren wy genoodzaakt,tweemaal weer om beneden te zenden hetgeenewy reeds gekocht hadden, wegeneenige kleine heelde doosjens, die nierte-
g enstaande het scherp onderzoek beneden,y miillag, onder andere dingen mede bo-ven 'gebracht waren. Dit alles was toetefchryvenaan onze tolken, wier moeye-lyke en al te waakfame zorg niet dulden'wilde, dat wy zagen,zo ’tmogelykwas,veel minder eenig ding kochten, dat deminste gelykenis had na de Afgoden vanhet Landt. Behalven dat,. kosteden onsde goederen die wy hier kochten bynaalzo veel, als zy zouden gedaan hebben totDefima , zynde daar byzondere peribonenaangestelt om de prys te bepaalen op dego ederen,’t welk altyd zo veel als doen-
EN GESCHIEDENIS
lyk is, tot onze fchaade geschiedt.
Op den tienden van Bloeymaand, roe-den wy weder uyt van Miaco , na het ne-men van een klein ontbyt van Japanschefpyzen, waar voor onze waardin naar ou-der gewoonte een Cobang krygt. Dezendag moetende bezien de Heerlykheid derTempels en van andere geheyligde gebou-tot Miaco , bevonden wy voor onsbuytende deur Cangos gereedt, en wy gingen eerst j £|Jnaar het vermaarde klooster T/uivoin , al-waar. de Keyzer huysvest,'als hy tot va nTs«*Miaco komt om den Dairi te bezoeken, woi».
Dit klooster behoort aan de Sekte Siodo ,welkers navolgers Amida aanbidden, enmen zegt, dat het meer dan over achthonderd jaaren geleden is gesticht. Heteerste dat wy daar zagen, was het grootPaleys waar in de Keyzer gehuysvest is.
Het Beeltenis van den doorluchtigenKeyzer Genjogin word in ’t zelve in eenkleine kapel bewaart. De achting en eer-bied , welke de Japoneescn toonen voorzyne gedachtenis, is weinig minder danGoddelyke Eere en aanbidding. Aan delinkerhand achter een fraayen Hof, is eenweg, die naar een kleine Tempel loopt,op een verhevenheid gebouwt, waar inde beenderen en assche van den gemeldenKeyzer worden bewaart. Zo ras als wyin de achter vertrekken quamen, wasaan den Osjo of oversten van ’t kloosterkennis gegeven van onze komst. Hethuys van den Prior legt pleyzierigopdenkant van een steylen berg, op een onge-regelde doch aangename manier beplantmet boomen en struyken. Hy quam afin het Paleys, verzelt door verscheldejongens wel gekleedt, onder welke eengeschoren en gekleedt was gelyk een Mun-nik, en door tien andere jonge geschoremunniken. Hy was een oud Heer, vaneen aanminnig gelaat en goede gestalte,na allen schyn in een zeer gezonden staat,gekleedt in een violet of donker purpergekouleurde tabbert, met een scharpom,gelyk men aan ’t Hof draagt, van de-zelve koleur, en een Aalmoes zak, wel-ke hy in zyne hand hield, kostelyk metgoudt gebórduurt. Hy stond wat vanverre om ons te zien, en beval aan*eeni-nige Munniken ons te onthouden op eenkop thee, in vergelding van welke be-leefdheid wy hen beschonken met eenItzebo in een papier gewonden. Uyt-gaande liet hy een groot getal Munnikenachter zich zitten, die beide zyden vanhet vertrek bezetteden. Hy zelf zettedèzich neer aan het verste eind van deRy,achter een schut, misschien om ons tetoonen , in welken Staat en pracht hyzich houdt en leeft, Van het Paleys
gingen