Buch 
De beschryving van Japan : behelsende een verhaal van den ouden en tegenwoordigen Staat en Regeering van dat Ryk, van deszelfs tempels, paleysen, kasteelen en andere gebouwen; van deszelfs metalen, mineralen, boomen, planten, dieren, vogelen en visschen. Van de Tydrekening, en Opvolging van de Geestelyke en Wereldlyke Keyzers. Van de oorfpronkelyke afstamming, Godsdiensten, gewoonten en handwerkselen der inboorlingen, en van hunnen koophandel met de Nederlanders en de Chineesen. Benevens eene beschryving van het Koningryk Siam / In 't Hoogduytsch beschreven door Engelbert Kæmpfer, ... ; in het Engelsch overgezet, door J.G. Scheuchzer ... ; Voorzien met kunstige kopere platen, onder het opzicht van den ridder Hans Sloane uytgegeven
Seite
424
JPEG-Download
 

4 x4 DE BESCHRYVÏNG EN GESCHIEDENIS

XV. HOOFDSTUK.

Onze tweede Reys van Jedo naar Nagasaki.

K Orts na het aanbreeken van den dagop den zevenentwintigsten Aprilondernamen wy onze reys van Jedo naarNagasaki, en omtrent ten negen uuren’s morgens quamen wy aan dat einde vande Stad, daar de plakaten en waarschou-wingen aangeplakt worden. Van daarquamen wy aan de voorsteden van Sina-gavaa , dóór welke plaats een redelykgroote rivier loopt, die zich dichte byinde Golf van Jedo , na dat ze eerst eenekleiner ontfangen heeft, verliest. EenWeinig verder, niet ver van de Gerechts-plaats zyn de kusten en het Dorp vanSusu noriiori , vermaart van wegen de Oe-ster vi ficher y , van welke wy 'er een o-vervloed in ’tverby ryden, op het strandzagen. Aan de rechterhand in ’t inko-men van dit Dorp is een vermaarde Fatz-man Tempel, daar zybewaarenden steenSufunotz , zynde een gladde zwarte Hard-steen , geplaatst op een kleine Bambousplank, in ’t midden des Tempels, om-trent twee voeten boven de vloer verhe-ven. Aan de bovenkant van den Tem-pel was opgehangen een zwaard , ;en deschilderyen vaneenige paarden,met som-mige optooyselen van gesneden papier opde wyze van kettingen. Wy kondenniet wel onderseheiden met welke anderedingen de tempel verçiert was. Omtrentten een uur quamen wy tot Kawafaky ,alwaar wy aten, en toen weder voort-reeden tot aan Kanagava, alwaar wy tenvier Uuren des namiddags aanquamen, endien nacht door de eenzinnigheid van on-ze Tolken bleven, die voorgaven dat hetonmogelylt was voort te reyzen , nadienalle de herbergen en vertrekken bespro-ken waren voor den Prins van Kynokunien zyn gevolg.

Op den achtentwintigsten reeden wyten vyf uuren ’s morgens van Kanagava,quamen aan het lange dorp Fodojai of Se?n-mutz , bestaande uyt vier of vyf honderdhuyfen, eerst een brug overgekomenzynde, die over eene breede rivier legt,in welke toen zeer veele schepen en bar-ken lagen met hout gelaaden, van Semniatzquamen wy, aan het dorp Kafiimo, al-waar wy aan weerkanten van den wegopmerkten vierkante steenen met afgo ,

den op dezelve staande. De naaste plaatsdaar wy aanquamen was Totska, eengroot dorp van omtrent drie honderdhuyzen, gelegen aan een groote rivier,over welke een schoone boute brug isgelegt. Toen quamen wy aan het dorpFaraftku , en den Burgt Fudfïfava, aaneene rivier van dien naam gelegen, overwelke mede een fraaye boute brug legt.Hier merkten wy weder op eenige stee-nen afgoden aan beide zyden van denweg. Terwyl wy op deze plaats waren,trok de Prins van Kynokuni verby. W ytelden tachtig handpaarden, en meer danvyftig Norimons onder zynen treyn, bo-ven de honderd gemeene pieken , zes endertig pieken met quasten, veders, ofpluymen, en paardshayr en staarten,tustchen de dertig en veertig mannen metboog en pylen , behalven de geene, dienoch in de huyzen waren,en die wy omdie reden niet konden zien, en meer dandertig kosters en groote kisten met deKeyzerlyke en andere Jsiaps of wapen-schilden, vergult. Van den Burgt Fud-sijava quamen wy aan het dorp JotJuja ,aan welkers eene einde wy aan den wegzagen een Beeld, Fado genaamt, zitten-de » met rood of koper gekouleurd hayr,en met eene wye tabberd. Op de eeneschouder had het iets onbekents leggen ,achter een roode vlam, de rechter voetrustende op een steen, de linieer afhan-gende, inde rechterhand, die op de knierustede, een haak en groot mes, ofzweerd; en in de linker, die het opstak,een dubbeld kroontje. Van daar qua-men wy tot 'javoata , daar een Fatzmantempel is, en kort daar na aan het dorpFivatzka , aan welkers einde is eenbrug van zesenveertig matten lang,leydende naar het dorp Koor ei, het welkaan de andere zyde van de Rivier legt,door ’t welk wy reeden naar het dorp, alwaar wy aten. Na den Eetenreeden wy weder voort, en reyzendetufichen een bofch aan onze linker, enaangenaame vruchtbare velden aan onzerechterhandt, quamen wy tot het dorpKoifi,t n van daar aan de volgende plaat-sen , het dorp Sywomi , het dorp Medfawa,alwaar twee bruggen zyn, de een naby

tse n »