Groevev an hard-fteenen.
VAN JAPAN. V. Boek. XV. Hoofdsï.
daarenboven een groote zedigheid en eendiepe stilzwygendheid. Op den weghier na toe zagen wy zeer veele kal veren,die opgevoedt worden om te ploegen,wordende het Land, dat hier omtrentlegt,voor het beste van geheel Japan ge-rekent om Terw en Garst voort te bren-gen. De grond natuurlyk wat droog enzandig zynde,komen de Inwoonders datgebrek te hulp met het Land te mestenmet menschen drek. Van Amagajaki qua-nten wy aan het dorp Imas , aan wel-kers ingang in de velden zes steene beel-den met Characters stonden, ’t welk wyook opgemerkt hadden aan den inkomstte Amagajaki. Toen quamen wy aanhet dorp Ajiap , van hier aan het dorpKafama , in welkers nabuurschap eengroeve is van hardsteenen , die op kar-ren door ossen getrokken naar de water-kant gevoert worden. Deze karren heb-ben maar drie wielen, elk uyt een vaststuk houts gemaakt. De steenen wordennaderhand vervoert te water tot meulen-steenen en andere gebruyken. De karrenZyn zeer laag, en wanneer zy dezelveontlaaden, nemen zy het buytenste wielaf en laten de steenen afzakken. Onswierd verzekert, dat deze rivier in hetverleden jaar door den gedurigen regenvan vier en twintig dagen zo hoog ge-zwollen was,dat veele van deze steenen,hoewel zeer groot, op verscheidene plaat-sen waren weg geipoelt. Deze rivierword genoemt Simisgava en de plaats,daar de Steengraavers woonen Simsi. Nietver van hier is een andere groeve, Taga-nakawara genoemt, en het dorp Midaro ,het welk aan de linkerhand een grootevischryke vyver, en aan de rechterhandde hooge berg Maijasan heeft,op welkersbovenste topje een Tempel in een boschstaat. Niet ver van daar quamen wy aaneene andere vyver en een huys, van 'twelk een weg loopt naar de nabuurigeTempel. Van hier wierden wy gedragennaar den Burgt Koobe, daar wy scheepgingen , om ons te laten zetten over dehaven van Fiongo.
Op -den veertienden Mey, vroeg in denMorgenstond,gingen wy onder zeyl vanFiongo in onze eige bark, en wy passeerdenmet een gunstige wind de straaten vanAka/t y daar de wind begon te stappen,wordende gevolgt door een zwaare regen-vlaag. Wy roeyden evenwel voort, enwierpen laat in den nacht het anker uytnaby het Eyland Ktmkakt. Wy zagendezen dag den Prins van Ftsen te Landverby gaan die zyne reys van OJacca totSimmojeki in dertien dagen te Land hadafgelegt. Alle de Prinssen van het Ryk
doen de reys van Miaco to tjedo in dertien da"gen, zynde niemant van deze regel uyt-gesloten dan die van Keyzerlyken bloedezyn, en de Prins van Satzuma^ diezelden minder , en somtyds meer danveertig dagen op zyne reys derwaardsis.
Op den vyftienden Mey met het krie-ken van den dag zeylden wy voort meteen klein koeltje, in schoon en helder we-der. Wy aten in ’t gezigt van Odzutz ofKodzutz , en bereikten toen een klein Ey-land tegen over Symotsuï , daar wy aanland gingen, om versch water in te ne-men , en vonden de plaats vol paarden,behoorende aan den Prins van Bitzju .Dezen voormiddag zeylde verby ons dePrins van Nagatta , met een gevolgvan zestig barken, en in den namid-dag de Prins van Janagava met tienschuyten.
Op den zestienden voor ’t aankomenvan den dag heysten wy onze zeyl op meteen friste gunstige koelte en schoon we-der. Omtrent ten half elf, quamen wytegen over het Eyland en de Burgt Ige.De meeste huysen van deze burgt, wel-ke de woonplaats is vaneen klein Prinsje*zyn wit. Weinig tyds daar na quamen wyin ’t gezigt van Iwagi ’t welk wy aan onsstuurboord hadden, en de straaten van Fa-naguri doorgevaaren zynde; geraakten wyin het gezicht van Mitaret ’t welk wy aanstuurboord lieten, zo als wy ook kortsdaar na deeden de Eylanden Nu-wa en Tfum™, hoewel buyten ons gezigt, en dusstelden wy het recht aan op de Eylandenvan Camiro , en van daar naar de straatenvan Caminoseki. De wind blyvende gun-stig dienen voeren wy deze straaten ookdoor, en dieuytzeylende ontmoetten wymeer dan honderd groote en kleine sche-pen ten anker; wy vervolgden nietteminonze streek, en wierpen een halfuur daarna het anker uyt, om dus te eerder zeyl tekunnen maken op den volgenden mor-gen. Wy hadden dezen dag zestig zee-mylen afgelegt die hier omtrent even grootmet de Landmylen worden gerekent, ge-heel anders dan in de volle zee, buyten’t gezigt van ’t Land, daar ze veel groo-ter zyn.
Weder en wind ons blyvende dienen,maakten wy op den zeventienden Mey’s morgens vroeg zeyl, in gezelschap vanmeer dan twintig andere schepen, enquamen des achtermiddags tot Simonofeki ,van daar voeren wy over in kleine schuyt-jeris naar Kokura, alwaar wy ten zevenuurens ’s avonds aanquamen.
Tenzesuuren ’s morgens op den acht-tienden, reeden wy te paard van KokuraI i i en