Buch 
De beschryving van Japan : behelsende een verhaal van den ouden en tegenwoordigen Staat en Regeering van dat Ryk, van deszelfs tempels, paleysen, kasteelen en andere gebouwen; van deszelfs metalen, mineralen, boomen, planten, dieren, vogelen en visschen. Van de Tydrekening, en Opvolging van de Geestelyke en Wereldlyke Keyzers. Van de oorfpronkelyke afstamming, Godsdiensten, gewoonten en handwerkselen der inboorlingen, en van hunnen koophandel met de Nederlanders en de Chineesen. Benevens eene beschryving van het Koningryk Siam / In 't Hoogduytsch beschreven door Engelbert Kæmpfer, ... ; in het Engelsch overgezet, door J.G. Scheuchzer ... ; Voorzien met kunstige kopere platen, onder het opzicht van den ridder Hans Sloane uytgegeven
Seite
476
JPEG-Download
 

inleiding.

476 A A N H A N G

groote reuk heeft. De krachten van deAmber Gris op te tellen , zoude zondervrucht dit verhaal al te zeef doen uyt-dyen, als zynde dezelve reeds genoeg be-kent. Alleenlyk zal ik 'er byvoegen eengeheim tegen de onmacht, ’t welk mymedègedeelt is door eenErvaareJapanschMedicyn Meester, als iets dat zeerkoste-lyk is. Neem zo veel raauwe Opium alsgy wilt, doed het in een stukje linnen,

SEL VAN DE

en hangt het in de waasièm van kookendheet water, het zweet dat door het linnenkomt, en aan de buytenzyde kleeft, le-vert uyt de beste en zuyverste Opium .Neemt deze stofte af, mengt ze met tweemaal zoo veel Amber Gris, en maakt'ervan kleine pillen. Weinige van deze pil-len ingenomen des avonds voor men tebed gaat worden gezegt een uytnemendprikkelend middel te zyn in dit geval.

V L

Onderzoek, of het vanbelang is voor ’t Ryk van Japan om het zelvegeflooten te houden, gelyk het nu is, en aan desselfs Inwoo--ners niet toe te laaten Koophandel te dry ven met uytheem-sche Natiën ’t zy binnen of buyten ’s Lands.

|,i,T7Eele• zullen het een snoodheidV noemen onzen aardkloot, zoklein als ze is, van een te scheiden en tedeelen, en zullen het achten al even zorooten misdaad als een Moord, tereelten de maatschappy en onder-linge gemeenschap, die 'er behoorde tezyn onder de menschen. Al wat na-tuur voortgebracht heeft , haakt enstreeft naar Maatschappy en gezelschap.Hier tegen te zeggen en te redeneeren,is in der daad, den maaker van de Na-tuur te verdenken. Wy zien alle eenezonne, wy alle betreden eenen grondt,wy alle ademen dezelve Lucht in; deNatuur heeft ons geen paaien gezet,nochde Schepper eenige wetten ingestelt, dandie strekken tot onderlinge gemeenzaam-heid en zaamenleving. Zouden de menschen geboren zyn tot éen erger staat dande Oyevaars en de Zwaluwen ? Is hetniet genoeg voor onze ziel, dat Edelstedeel van ons, 't welk deelgenoot is inde vryheid van die opperste en alvryewil, gebonden te Zyn aan ons Lichaam?Moet het Lichaam in het eene Land zoWOrden gevangen gehouden, est aan deziel geweigert de vryheid, om het Lic-haam , en haar zelven te gelyk te doengenieten de vermaakelykheden van ande-re Landen ? De Starren zelf aan de on-bepaalde Hemel, stryden krachtig: daarvoor. Veele geloven dat zulke ; leerlyke,zulke Edele Lichaamen niet naakt enleedig zyn gelaten geworden, maarbewoont zyn door verschelde íòorten vanlevende Schepselen, die den alwysenSchepper aller dingen loven en prysen,

zelfs eer dat de gróndlegginge der aardewas, gelyk het hem behaagt zich zelvenüyttedrukken Job. 8. Elk een , diezyne zinnen, van de geringe en gemeènebevattingen der schoolgeleerde wâan-wyze, dorst voortzetten tot edeler defti-ger en hooger gedachten, zal geen zwaa-righeid maken , noch het verkortelykachten voorde goedheid en wysheid vanhet Opperste Wezen , te staaven endestaande te houden, daç deze hemelscheLichaamen zyn als zo veele groote ste-den, waarlyk wel ontoegankelyk tot el-kander, van wegen de groote uytgestrekt-heid van vocht, in ’t welk zy vlotten,maar om die zelve reden bequaam, omte zyn, het geen niet onwaarlchynlyk isdat zy zyn, bewoont door schepselenvan verscheidenerly soort, verschillen-de in haaren aardt, maaksel, en trappenvan volmaaktheid. Zo overeenkomstigmet de waarheid, als het ten hoogsten iswaarschynlyk, dat deze stelling is, alzoredelyk zal het aan de andere kant bly-ken, dat deze schepselen, welke de alleenen alwyze Schepper gemaakt heeft vandenzelven aardt en stofte , en welke hybesloten heeft in d’een of d’ander dezerklooten, als binnen de muuren van eeneStad, leeven zouden in eene vriendelykegemeenzaamheid met elkanderen, ’t welkniet anders dan ten hoogsten straf schul-dig zyn kan om te verbreeken. Watonze aarde in ’t byzonder aangaat. DeSchepper dezelve geschikt hebbende totbewooninge der menschen, heeft ook inzyne wysheid en goedheid dezelve voor-bedachtelyk zo gemaakt en geschapen,

dat