os Aardryks-beschryumge. I o f
op de Maan omtrent ic±maal hooger verheffen ; verminderde dezwaarheid maar -^deel, dan zou de Zee tot de hoogte van 88902voeten opklimmen (e) : door de dagelyksche ondervinding ziet mende werking van de Zon en Maan op het Water } niet van ieder in’t byzonder, maar vermengd ; in de tegenstand en zaamensiandverzaamen die kragten , en maak en de grootste Eb en Vloed ; índe Quartier-Maanen verhoogt de Zon het Water, dat de Maannederdrukt ; door deeze tegenstrydige werkingen heeft men dande minste Eb en Vloed; dit noemt men DoodeTyen: ook hangt de-kragt der uitwerking van beide die Ligten af van haar afstand, dieZy van de Aarde hebben ; in de kleinste afstanden zyn die uitwer-kingen ’t grootste, en dat ín drievoudige reden van haar schyn-baare Middelynen (f) -, dat is de reden van de Teerlingen j daar-om, in de Winter» de Zon in ’t naaste punt zynde, maakt dat deVloed een weinig grooter is in de zaamenstanden, en in de Quartier-Maanen wederom wat minder als in de Zomertyd ; ook maakt deMaan, wanneer die in zyn naaste punt komt, een grooter Vloed,als x5 dagen voor of na die tyd , wanneer die op ’t verst van deAarde is : ook hangt de uitwerking van deeze Ligten af van haarafwyking van den Evenaar, zoo dat, een weinig voor het begin derLente, ‘en een weinig na het begin der Herfst, de hoogsteiipring-tyen zyn : ten andere hangt het zelve ook af van de breedte, dieeen plaats heeft ; want de Noordelyke gewesten hebben meer deelaan de Noordelyke , en de Zuidelyke wederom aan de ZuidelykeVloed (g) ; en daar uit komt voort, dat de Vloed by beurtengrooter en kleinder word, op ieder plaats buiten den Equinoctiaal,te wee ten , op zulke, daar de Zon en Maan altyd op- en onder-gaat ; de grootste Vloed komt omtrent in de ;de uur , na dat deMaan in de Middaglyn geweest is, dewelke boven de Zigt-einderis: ’t grootste verschil der Vloeden is in de tyd als de Zon in deKeer-punten , en de Maans klimmende Knoop in ’t begin Aries ís.Loor de Waarneemingen, in de Noordelyke Landen, vind menook, dat, in ’t midden van de Zomer, de Vloed van den avond ofoverdag, die van ’s nagts of in den morgenstond te b©ven gaat;
O en
sjs^mves. Phys. Elem. Math., pag 19 6, Lugd. Bafav. 1720.
y) Natur Princ. Mathem., prop. 24, theor. 19» pag. 391.
\E) f>e zelfde Schryver, pag. 391.