j^6 Inleiding tot de algemeene Géographie ,
XIV. HOOFDSTUK.
Van de Scheepvaart.
1. Deszeifs Nuttigheid , en het geen daar toe vereyfcht'-word.
Nut . dat dikwils in andere Landen, over de groote Zee gelegen,
tigiidd gewassen of goederen zyn, dewelke men van nooden heeft,Scheep- die in ’C Land dat men bewoond niet kunnen groeijen , of voort-vâart. komen, en dat by ons goederen of gewassen gevonden worden,daar men in andere Landen gebrek aan heeft, zoo hebben al langde Menschen , op hoop van winst, en om de gebreeken van hunLand te vervullen , met Scheepen over de groote Zee gevaaren;dat blykt onder anderen zelfs uit de Scheepvaart ten tyde vanKoningSalomon. Tot twee voornaame eindens worden de Scheepen gebruikt ;om Koopmanschappen of R eizigers te vervoeren ; of om te Oorlogen,’t Voornaamste, dat in een Schip vereifcht word, is, dat het zelve welZeilt, en gezwind kan wenden en keeren , dat het goed duurzaamHout is, voor ’t verderf en de Wormen wel verzorgt, en in staatom een zwaare Storm te wederstaan ; ten anderen, dat het nietonvoorzien is van al de noodige behoeftens, als Ankers, Touwen,enz. en ruimte beneffens gemak heeft, volgens het oogmerk daarhet toe gebouwd is ; maar alles is hier in nog niet volkomen ontdekt,na verschelde dingen gist men nog maar, welk dat de beste manierzou zyn , om de Scheepen te bemasien , en de hoogte der zelve:daar zyn onlangs verschelde Aanmerkingen over gemaakt, by ge-iegentheid van de Pryzen , die de Fransche Academie van tyd tottyd uitdeelt {e).
2. Kan de Zwaarte en V JMeeten der Scheepen.'
De Als een Schip in ’t Water leid, zoo drukt het zelve net zoo veelzwaarte water weg a j s ’ c Schip weegt, met alles dat daar in, op en aan is:
ten der indien
Schcfi* v
gen. (e) De la Mature des Vaifleaux, Par. 1727.