in Ktmfl - fonteinen. 251
|es CE en DYX boven elkander. De hoogte van het Water, ge- ix.Let.meten van de Kom ABW" tot de Oppervlakte van het Water inhet onderste Bakje D YX is altijd evengelijk aan de hoogte van dentop van den Straal boven de Oppervlakte van ’t Water in de mid-delste holte in CE. Dewijl nu de Oppervlakte CE altijd zakkendeis, en het Water in DYX altijd rijzende, moet de hoogte van denStraal gedurig asnemen , totdat hij korter worde de lengte van dediepte der holte CE, die ontledigd wordt, gevoegd bij de diepteder holte DYX, die gedurig voller wordt; en wanneer de Straal zooveel gezakt is, geeft hij het aanstonds op. NB. Be Lugt wordt as-geheeld door de flippen. De manier om dit Fonteintje tot het spelengereed te maken (hetwelk gemeenelijk in ’tgeheim gesehiedt, eer menhet ten toon stelle) is deze. Eerst giet men 'er Water in in W, totdatde holte DYX vol zij. Dan keert men het Fonteintje om, waardoorhet Water uit de holte DYX zal loopen in de holte CE. Dezeholte kan men weten vol te zijn, wanneer ’er het Water begint uitte loopen in B terwijl het Fonteintje in een omgekeerden stand wordtgehouden. Men zet het Fonteintje weer overend, als of’er niets aangedaan waar. Wanneer men liet wil doen spelen, giet men ontrenteen pint Water in de Kom ABW. Zoo haast dit Water de Pijp WXgevuld heeft, zal het Fonteintje beginnen te spelen, en blijven spelenzoo lang, als ’er eenig Water is in CE. Dan kan men het Water,dat in de Kom ABW overgebleven is, ergens in uitgieten, en hetFonteintje omkeeren , hetwelk, weer overend gezet zijnde , aan ’tspringen zal gaan, wanneer het uitgegoten Water weer in de KomABW gegoten wordt, en dit kan men herhalen zoo dikwijls, alsmen wil.
2i. Het Fonteintje van Plaat XXVIII. Fig. 2. is van dezelfde na- Pt.tuur, en deszelfs werking rust op hetzelfde Grondbeginsel ; maar de- ^ xv i IILwijl het tweemaal zooveel Pijpen en verborgen holtens heeft, springt ' S ' 1 *het tweemaal zoo hoog. Men moet de 3 de Figuur beschouwen, om fï£. z.deszelfs verborgen holtens en Pijpen te zien. De Kom is A, de vierholtens zijn B, C, D en E, waaruit het Water door de Pijp/G op-springt tot de dubbele hoogte van ’t Fonteintje, de Lugt in E, die hetWater perst, tweemaal zooveel verdikt zijnde. Het Water, dat naarbeneden loopt door de Pijp 1 (onderstel, dat ze drie Voet lang is)
Ii 2 ver-