2 $6 Wee r/land van Vloeistoffen.
ix. Les. lijk gewigt tot het gewigt van Water is, gelijk io tot I. Derhalvekan een looden Bal, gelijk uit het gezegde blijkt, geen grooter Snel-heid verkrijgen , wanneer hij in het Water valt, dan hij verkrijgenzou , wanneer hij in ’t Lugtledige viel van een hoogte van 13k maalzijne eigen Middellijn.
Een lighaam , ligter, dan een Vloeistof, en in dezelve opklim-mende door de Werking van de Vloeistof, wordt net naar dezelfdeWetten bewogen, als een zwaarder ligliaam, dat in de Vloeistof valt.Waar men het lighaam ook plaatse, het wordt opgehouden door deVloeistof, en opgevoerd met een Kragt .evengelijk aan ’t Verschil tufsen het gewigt van de Hoeveelheid van de Vloeistof van hetzelfde Vo-lumen, als het lighaam, en’t gewigt van ’t lighaam. Derhalve heestmen de Kragt, die gedurig gelijkmatig werkt op liet lighaam, waardoor niet alleen de Werking van de Zwaarte-kragt van ’t lighaamte niet gedaan wordt, zoodat ze in dit geval niet in aanmerking ge-nomen moet worden, maar waar door het lighaam ook opwaarts ge-voerd wordt mes een eenpariglijk versnelde Beweging , op dezelfdewijs, .als een lighaam , .’twelk zwaarder is, dan een Vloeistof, daaltdoor zijne betrekkelijke Zwaarte; maar de eenparigheid van de Ver-snelling wordt op dezelfde wijs te niet gedaan door den Weerstand inhet opklimmen van een lighaam, dat ligter is, dan de Vloeistof, alsze te niet gedaan wordt in het dalen van een lighaam., dat zwaarderis, dan de Vloeistof.
Wanneer een lighaam fbortonderlcheiderilijk zwaarder , dan eenVloeistof, in dezelve opgeworpen wordt,, wordt het vertraagd doortweederlei .oorzaak, door de Zwaarte - kragt van ’t lighaam en doorden Weerstand van de Vloeistof. Derhalve rijst een lighaam tot eenkleiner hoogte, dan liet in ’t Lugtledige met dezelfde Snelheid doenzou ; maar de .tekortkomingen van hoogte in een Vloeistof bij dehoogtens, waartoe een lighaam in ’t Lugtledige zou opgaan met de-zelfde Snelheden, hebben grooter Evenredigheid tot elkander, dande hoogtens zelf; en in kleiner hoogtens zijn de tekortkomingen tennaastenbij, gelijk de Vierkanten der hoogtens in ’tLugtledige.
In de Aanteekeningen op onze VII. Les hebben we de Leiding enVerspilling van Water uit Vijvers en Verlaatbakken zoo ver ver-klaard, als genoegzaam was tot de Praktijk. Nu zullen we nog wat
naau-