Band 
Tweede deel.
JPEG-Download
 

3 1 8 Uitzetting van Lugt .

X. Le«. Duim lang is, die men met Kwik wil vullen, en waar in men zoo-veel Lugt wil laten, dat 'er maar twee Duim Kwik in over zal blijven,wanneer de Pijp omgekeerd is. Dit vast gesteld zijnde, is de vraag,hoeveel Kwik men dan in de Pijp moet laten? Ik onderstel, dat deKwik in de gemeene Barometer op dien tijd staat op 29 Duim. Danzal liet Verschil tuisen die hoogte en de begeerde hoogte wezen 27Duim ; de Ruimte, die de Lugt in de Pijp bestaan moet na 't nemenvan de Proef is 4. Duim. Gevolgelijk zal men deze EvenredigheidsRekening hebben , 29 : 27 : : 4 : waarom 'er Duim na-

tuurlijke Lugt in de Pijp gelaten moeten worden, indien men de Kwikeen hoogte van 2 Duim wil laten behouden.

16. Hoe ver deze Eigenschap van de Lugt om zig uit te konnenzetten zig uitstrekke, weet men met geene zekerheid, en het is zeerwaarfchijnelijk , dat ze door geene Proeven bepaald kan worden.Indien men evenwel de volgende Proeven vergelijkt met de Proevenvan de Lugt, in een Pomp of Speuit samengeperst, zal het blijken,dat de Lugt in het ééne geval twintig duizend maal meer Ruimte be-slaan kan, dan in het andere geval.

VIII. PROEF.

pl. Plet Glas AB ( Plaat XXXIII. Fig. 1.) ontrent 14. Duim hoog,

xxxin. moet net vol met Water gevuld worden. Daar is een koperen Kapje*’ gehegt aan ’t end B, waarmee het geschroefd moet worden aan de ko-

Ti g . i, peren Pomp, of Speuit $, welke hier Fig. 2. afgebeéld wordt. Wan-

neer men den Zuiger van de Pomp uithaalt, zakt het Water daar indoor zijne eige Zwaarte, en de Ruimte in het bovenste gedeelte van’t Glas wordt ontledigd beide van Lugt en Water. De Lugt-belletjesin 't Water, die nu iamengeperst zijn, zetten zig uit, en rijzen totde Oppervlakte van ’t Water. In die Beweging worden de Lugt-belletjes versneld, zoodat ze niet onderscheiden gezien worden ontrentde Oppervlakte uit hoofde van hare zeer snelle Beweging. Ze wor-den ook grooter, terwijl ze opklimmen, en indien men de Middellijnvan een Lugt-belletje in B vergelijkt met deszelfs Middellijn, wan-neer het ten naasten bij tot de Oppervlakte is opgekomen, maar nogzoo ver van dezelve af is, dat het ondericheidenlijk gezien Kan wor-