Band 
Tweede deel.
JPEG-Download
 

Uitzetting van Lugt. 319

den, is deszelfs Middellijn ten minsten vier maal grooter, dan te- xvoren.

Het bovenste gedeelte van ’t Glas is, gelijk we zeiden, geheel le-dig van Lugt : want de kleine Hoeveelheid van Lugt, die geduriguit het Water opgaat, moet hier niet in aanmerking komen. Der-halve worden de Lugt - belletjes in B, hetwelk ontrent een Voet be-neden de Oppervlakte van 't Water is, alleenlijk íàmengeperst doorhet Water, dat 'er boven staat, welke Persing tot de Persing van denDampkring ten naasten bij is, gelijk 1 tot 32, in welke Reden ookde Ruimte, die de Lugt bestaat, wanneer ze door den geheelen Damp-kring samengeperst wordt, is tot de Ruimte, die de gemelde Lugt-belletjes bestaan. Derzelver Middellijn wordt, gelijk we zeiden, inhaar opklimmen vier maal grooter, dat is, het Lugt-belletje zelfwordt 64. maal grooter, dan liet tevoren was; en dus is de Ruimte,die de Lugt in dit laatste geval bestaat, tot de Ruimte, die de Lugtbestaat, wanneer ze door den Dampkring samengeperst wordt, gelijk64. maal 32 (dat is, 204.8) tot 1. De Lugt, door den Dampkringsamengeperst, wordt in de Pers-pomp tot een Ruimte gebragt, die 10maal kleiner is, en dus is de Dikte van de gemelde Lugt tot de Diktevan deze Lugt, gelijk 1 tot 204,80. Wanneer men uit deze getalende teerlingse Wortelen trekt, zal men bevinden, dat de Afstanden tuf-sen de Middelpunten van de deeltjes in deze twee gevallen zijn, gelijk1 tot 27.

17. Hieruit besluiten we, dat de Lugtdeeltjes niet van dezelfde na-tuur zijn, als andere veerkragtige lighamen : want de enkele deeltjeskonnen zig niet naar alle kanten tot 27 maal grooter Ruimte uitzet-ten, en dus 2000 maal grooter worden, terwijl hare Oppervlakte vanalle oneffenheid of hoeken vrij zou blijven : want in alle Uitzetting ofSamenpersing worden de deelen zeer ligt onder elkander bewogen ;maar dewijl de Lugt nog veel meer uitgezet kan worden, dan in dezeProef, zoo volgt nier uit, dat de Lugt bejlaat uit deeltjes , die elkan-der niet aanraken , en elkander wegdrijven , gelijk we in het beginvan dit lí. Deel gezegd hebben*, en verder bewijzen zullen in onzetweede Verhandeling over het opklimmen van Dampen. We hebben[ in ons 1 . Deel in de I. Les ] bewezen, dat 'er in verscheiden gevallenDeeltjes zijn, die zulk een eigenschap hebben, en het is klaarblijkelijk

genoeg,