354 Leibn itz gedagten over de verandering
x. Lei.de Oppervlakte van de aarde, GEFH een Kolom van den Damp-kring , welker hoogte is GE, de geheele hoogte van de Lugt. Menverbeelde zig, dat de dampen, die uit de aarde oprijzen, twee wol-ken maken A en B, en zig zetten ter plaatse, daar de Lugt van de-zelfde soortonderscheidende Zwaarte is, als zij zelf. Het is klaar-blijkelijk, dat ze de Lugt zoo veel hoogcr zullen doen rijzen, alshaar Volumen bedraagt, en daarom de Oppervlakte, die in GH was,zullen doen rijzen tot IK , zoodat de grond E F, die eerst geperstwerd door een Lugt - kolom GEFH, nu geperst worde door een hoo-
f er Kolom IEFK. Indien nu de wolken A, B door de ééne ofe andere oorzaak van plaats veranderen, zoodat ze neerwaarts ko-men (bij voorbeeld tot C, D) zal de hoogte van de Kolom IEFKdezelfde blijven, als te voren, en derhalve zal de grond EF geperstworden, gelijk te voren, volgens de voorgaande Stelling.
I. GEVOLG.
Indien de wolken A, B dalen, en in hare daling hetzelfde Volu-men houden, dat ze te voren hadden, zal de Oppervlakte IK de-zelfde blijven, en derhalve zal EF geperst worden, gelijk te voren.
II. GEVOLG.
Hetzij een lighaam íòortonderseheidenlijk ligter, of foortonderfchei-denlijk zwaarder zij, dan een ligte Vloeistof, zal het, zoo lang hetin dezelve blijve, bij de Vloeistof zoo veel gewigt voegen, als het ge-wigt van een evengroot Volumen van die Vloeistof. Zie Les IX.N°. i. bladz. 220. en volg. Hierom verliest een lighaam al dat ge-wigt niet, ’twelk het voegde bij ’t geheele gewigt van de Vloeistof,wanneer het ophoudt van ondersteund te worden in die Vloeistof,hetwelk strijdt met het Grondbeginsel van den Heer Leibnitz.
L E E R I N G.
Indien een wolk door eenigerlei oorzaak íòortonderseheidenlijk zwaar-der wordt, dan dat gedeelte van de Lugt, waar in ze drijft, zal deOvermaat van hare zwaarte boven een evengroot Volumen van Lugt
haar