422 Verhandeling over de Brandfleen - kragt.
XII. PROEF.
Indien men een Kunst-fonteintje (waar in Lugt geperst is, omhet te doen springen) laat ipelen met een dun straaltje van ontrenthet 4.ó ste gedeelte van een Duim Middellijns, opwaarts of neerwaarts,Lal het straaltje, wanneer 'er de Buis bijgebragt wordt, naar de Buisbuigen op den afstand van een Voet. Indien 'er de Buis digter bijge-bragt wordt, wordt het straaltje , geheel door de Buis weggetrokkenLijnde, veranderd in een dau op de Buis, die met druppeltjes aan deBuis kleeft, indien men het straaltje niet al te sterk laat springen.
Eenige aanmerkelijke uitwerkingen ^««Brandsteen-kragt, meegedeeldaan lighamen , die uit zigzelve brandsteen-kragteloos zijn.
XIII. PROEF.
Een paktou, of hennepen draad ter lengte van ontrent twaalf hon-derd Voet uitgestrekt hebbende, aan welkes end een ijvoren Bal vanontrent anderhalven Duim over ’t Kruis gehangen was, heeft die BalBlad-goud, of Blad-koper aangetrokken, en weggedreven, wanneerde gevreven Buis bij het andere end van het tou gehouden werd. DeProefdraad bij den gemelden Bal gebragt zijnde, werd 'er ook vanaangetrokken.
NB. Alle de Schoren [Supporters] van dezen draad moeten uitzigzelve brandsteen-kragtig zijn, hetzij ze Haairjlrengen zijn , Viool-snaren , of Kattendarmen , Linten , zijden draden , glazen Buizen ,lange lighamen van Zwavel , of Hars enz., en alle die lighamenmoeten zeer droog wezen. We zullen nu vervolgens het brandsteen-kragtelooze lighaam,hetwelk, in de lengte uitgestrekt zijnde, de mee-gedeelde Branasteen-kragt ontvangt, den Leier van Brandjleen-kragtnoemen, en de lighamen, waar op hij ruit, of waar aan hij hangt,de Schoren van den Leier.
XIV. PROEF.
Indien men den Leier van Brandsteen-kragt nat maakt, zal de
Proef