Aanmerking cp WIE L E N van Wagens . 177
de Wielen konnen schieten. Zie Fig. 7 ; andersins izijn ze gedurig in fl.xxii.gevaar van breken. Dewijl nu deze gemakkelijke schuiving niet ver- Fi s- 7 -kregen kan worden, zonder het onder- en voor-end vandeKegel-stuk-ken beide in doorgaande regte Lijnen te hebben (want een Wigge ofKegel kan niet endelings uitschieten zonder een groote kragt, terwijltwee Vlaktens het gemakkelijk doen) zoo moeten de Allen niet regtzijn, gelijk de Heer de Camus gesteld heeft.
Het grootste kenteeken van het wel en ligt loopen van eefi rijtuig is,dat de As gedurig heen en weer schuift in de Naven : want iemandsoor kan hem alleenlijk zeggen, of een Wagen of Koets wel en ligtga, door de zelven beurtelings te hoor en stooten tegen de Borsten enLensen. Wanneer ze dat doen, is de trekking meer, dan een vijfdeminder.
# 5 * De AiTen en Wielen worden bewerkt door tweeKragten, deéé-ne het gewigt van de vragt bijna loodregt, de andere de trekking bij-na waterpas. Derhalve is de grootste ingedrukte Kragt in de Eloelolijn tust'en de twee, maar digtst aan die Lijn, welker Kragt de groot-ste is; en in dat gedeelte, of die Oppervlakte van de Armen van denAs moeten de twee Kegel-stukken in een doorgaande regte Lijn we-zen.
N. B. Indien de Heer de Camus de Asten en Wielen van Koetsenkon meenen, waar van de Asten ijzeren Rollen \_Cylinders] zijn, zoudenevenwel de meeste redenen, die ik aangedrongen heb, zeer sterk te-gen zijnen Regel zijn, en den zelven ook in dat opzigt bewijzen valste zijn.
Bladz. 225. agter de XXX. Stelling uit den zelfden Heer Beighton
in te voegen.
In de XXX. Stelling, bladz. 224 en 22f van trekken sprekende.
„ Dat de Trek lijn zoo hoog behoort te zijn, als de borst van ’t Paard,
„ omdat Paarden, die opwaarts trekken, eer moê en stijf in de knien„ worden.”
Ik begrijp, dat dit een mistlag is: want de ondervinding en redenskaveling zullen beide het tegendeel leeren, en betogen r want
1. Paarden hebben weinig of geen Vermogen om te trekken buiten*t geen ze hebben van hun gewigt, of hunne zwaarte. Anderstns zou-III. Deel. Z den