VAN JAPAN. I. Boïk. I. Hoofdst.
{che vygen) ook van een ongemenegroote, ontrent anderhalve span lang,en ontrent een span in haaren hoekigeomtrek: zeer groote Suursacks , pyn ap-pelen, kleine Lemocntjes, Vogels, eneen byzonder soort van Rammen, rood-achtig van coleur, lang van hair, en eengroote flachtand aan yder zyde. Zybrachten geene van hunne Handwerkse-len aan boord , dan zakken van Pisang,netjens gevlochten, en kleine mattenvan ’t zelve slag, gelyk ook van GabbeGabbe bladeren, insgelyks zeer kunstiggewerkt. Zy wilaen voor hunne goe-deren geen geld nemen; maar Linnen,Hembden,Ryst, Yzer en andere snuyf-jfèryen waren hen zeer aangenaam. Zyschynen geen de minste kennis van Geldte hebben, want hen verschelde stukkengetoont hebbende, eyschteden zy vooreen kleine mat tienmaal meer dan zewaerdig was. In tegendeel zouden zyvoor een klein stukje grof Linnen* datmisschien geen blank waardt was, eet-waren . ter waarde van twee of drieschellingen gereykt hebben. Zo als ikreeds gezegt hebbe , bestaat het geheeleEyland byna uyt niet anders, dan uyteen hoop Steenen, of Rotzen, en Too-rens hooge Bergen,en ’t geen my even-wel aanmerkelyk voorqüam , was, dathaare barre toppen, daar men misschienwerk hebben zou twee of drie duymbreed grond te vinden , bekleed warenmet boomen struykert. Wy klommenop de rotsachtige Heuvels,om na verschwater te zien , niet zonder moeite engevaar, door ’t behulp der wortels vande boomen, welke opwaards na den topgroeye, en om laag na de aarde tot tien,twintig en meer vademen schietende ,ons dienden voor touwen om langs de-zelve op te klonteren. Tusschen dezepuynhoopen, want ik mag ze dus welnoemen, vind men veeltyds kleinewellen en bronnen zoet water,het welkbp sommige plaatsen zo koud is, dat ik,tny eens uyt vermaak gebaad hebbende,my eenige dagen zeer onpasselyk ge-voelde. Wy zagen ecrte rivier die grootgenoeg was om twee molens te doenömloopen. Deze quam af van de top-pen der bergen, loopende over de rotzenen steenen, met zulken snelheid en ge-druysch, dat wy daar by staande, el-kander naauwelyks verstaan konden.Het water was klaar, koel, en scheenmy een weinig bitter van smaak. Ik hadzo veel tyd niet als ik wel wenschte omalle de planten van dit Eyland na tespeuren. In ’t algemeen merkte ik, datalhier vcele der geene groeyderi, Welke
ik gevonden had óp het eyland Edmneene weinige mylen van Batavia gelegen,en onder de planten van dat Eyland be-schreven hebbe. Langs het strand gaan-de , nam ik in acht deze volgende Boo-men en Heesters.
Terum Lauk , een Heester van een mid- Terutftdel soort, met langwerpige bladen, twee Laul{ -of drie duym lang, en anderhalf duyrabreed, doorgaans donker, met een groo-te zenuw ongeschikt kruyslèlings overhet midden loopende. De bloem wasgeel, bestaande uyt vyf bladeren, op dewys van een star geschikt; het zaad wasby uytnemendheid schóón, geheel groenen gelyk een star van zeven straalen;drie, vier of vyf van deze Starswysc zaa-den waren aan elitairder gegroeyt, de-welke te zamen een schoone gedaantevertoonden.
Prya Luit is een Heester, welke een Pty* LaW-bezie voortbrengt iets grooter dan onzegenever bezie, groen, en van een vlees-achtige stostè. De bladeren zyn zaags-wyze gesneden; dezelve plant heb ik op-gemerkt in Persen ontrent Gamron , ofBamlerabaffi , en ik. had dezelve afgete-; kent,en wydlopig beschreven onder my-! ne persiaansche planten.
Maanbu , een redelyke groote Boom, Maanbu,met veele stompe tedere bladen, zachtin ’t handelen, zonder een zenuw in ’tmidden, aan het einde der takken zamenloopende. Den zelven boom heb ik op’t Eyland Edam opgemerkt,doch ik hadtoen het geluk niet, van ze te zien in haa-re bloemen en vruchten,dewelke ik hierin haare volkomenheid zag. De Bloemis iets byzonders, zy bestaat uyt vyfbladen, alle, aan eene kant geschikt opde wysc van een halve maan. Tegen o-yer de bladeren van de bloem is een ge-boge steel, opwaards staande, met eenrond groen klein bolletje aan ’t opper-einde. Na de bloem volgen vyf bezienvan een vleesachtige stostè.
Papiniok Heest een witte bloem, boo- Papiniok.ne bloeyzel niet ongelyk aan welk ge-slacht ze h naast komt ten aanzieri vande bladen, waar van er drie aan ydersteel zyn, van welke het middenste lan-ger en breder is, dan de twee andere,die tegen malkanderen over staart.
Een andere Boom, waar van ik denaam niet kan te weten komen heestbreede, zachte, rortdachtige bladen,denHazelaar niet ongelyk, maar twee ofdriemaal grooter, met veele ongeregeldezenuwen in de lengte en overdwarschdaar over heen lopende. De bloem be-stond uyt een onzeker getal van bladen,
Waar van de oude vrouwen op Batavia
A Z eest