6 DE BESCHRYVING
een byznnJet smeersel maken, om tebetten, en ’t vel der kinderen na de ma-kelen glad tc maken,waar van ik op eenandere plaats een verhaal gegeven heb.
Fync Iris. Onder de planten was inzonderheidom haare ongemene fraiheid aanmerkc-lyk, een vlecich koleürde Iris raet gee-le streepen, en een doornachtige vrucht,zeer na van de groote en de gedaantevan een noot muschaat, in drie cellenverdeelt, in yder dezer waren vier ron-de witte zaaden, by na zo groot als eenerwete.
Alle de schepen van Batavia naar Siammoetende hebben van de Maatschappylast , om, zo ’t mogelyk is te Puit Ti-tnon in te ldopen om hout en water,zyn-de dit Eyland tot dat einde zeer wel ge-legen, ontrent ter halver weg van Ba-tavia. My wierd gezegt, en het is nietonwaarsch'ynlyk,dat’ér maar weinig on-derscheid is tuflehen Puli Timon, en PuitOor ten aanzien van de gelegenheid, aardtvan de plaats en manier van leven derInwoonderen. Op onze aankomst in denmorgen wierd’er een stuk geschut ge-lost, om de Inwoorders te nodigen metons te handelen; des avonds, na dat meneen goede voorraadt van hout en wateringenomen had , wierd het zelve tekengegeven, voor ons die na land warengegaan, om weer aan boord te komen.
Na ’t avond eeten maakte wy zeil,met een fristche gunstige koelte; Puli Ti-nton , ’t welk in den ochtend N. O tenO. klein en smal geleek, vertoonde zichnu stayer en grooter ten O. N. O. on-trent een half uur afgelegen, en scheenpntrent vier uuren lang en twee breedt.
Den 21. May des morgens verlorenwy Puli Tinton uyt het gezigt, en wyontdekten de hooge gebergtens van Ma-lacca op een mcrkelyke wydte voor uyt;wy slierden te N. \V.en N. W.tenW'.om schuyns naar ’t land te zeylen , ’twelck wy voor ’t ondergaan der zon in’t oog kreegeil, zynde voor ’t vaste landvan Malacca en sommige kleine bygele*gene Eylanden. Wy pasleerden ’s nachtsde gemelde Eylanden , en den twee entwintgsten des morgens quamen wybinnen een uur wydte van de kust vanMalacca langs welke wy onze coursvoortsctteden na het noorden, met eenzachte voordeelige land koelte. De kus-ten van Malacca scheenen my toe nietongelyk de kusten van Ceylon , zeer ge-broken, en rotsachtig naar de zeekant,met toorenshooge bergen tot in het land,anders groen en vol boslchen, en na al-le oogenschyn zeer vruchtbaar.
Het weder schoon, en de wind den ge-
EN GESCHIEDENIS
heelen dag gunstig blyvende beryktcriwy na zonnen ondergang, de twee Ey-landen , Puli Capas.
Op den drie en twintigsten Vorderdenwy weinig van wegen de stilte en tegenwinden , welke ons noodzaakten hetgrootste gedeelte van den dag op ankerte blyvert,
Op den vier en twintigsten May beryk-ten wy den mond eener rivier, en eertklein dorp op ’t vaste land van Malacca ,
’t welk m de Portugeescbe kaarten Bufègenoemt word. De bewoonders , alle T Bu ( e .Vislchers, noemden het Terchannu. Dit ^rc MDorp scheen te bestaan uyt ontrent vyf-tig huysen of hutten langs het strandtgebouat. Daar lag ten anker een Por-tugeesch schip met zyne ontwondenenvlaggen en wimpels, het welk, na ’tzeggen der Inwoonderen , van Macauquam. De Inwoonders spreken het Zi-amsch en het Maleytsch. Drie derzelvequamen in een hunner booten op, naarons Schip, om visch aan ons te verkno-pen ; en voor een grof tafellaken kregenwy Zo veel visch, als twintig hongerigemenschen konden eeten, onder anderevisschen waren er by, die zy Konings-Viscb noemden den snoek niet ongelyk,en ontrent drie voeten lang , Korkuadesgenoemt, door de Neerlanders Paerds hoef-den , van wegen haare gedaante; roodeSteen-Braaffems , Salmmtets , en Jacob E-vertzens , visten. In den na de middagoverviel ons eene stilte, en wy wierpenhet anker in ’t gezigt van sommigekleine Eylanden, de Redans Eylanden ge- Redansnoemt. Sommige van ’t scheeps volk ^ 111 eöverlustigden zich na ouder gewoonte,met visten, en een van hen vong eenzeer fraye gestemde visch met negenstraalen. Het lichaam dezes vischs was Schoonevier duym in de Diameter , en yder straal gelterndewas byna anderhalve span lang, zo dat Visch.de middelstreep van ’t geheele schepzelten minsten drie spannen lang was. Debovenkant was rouw in ’t aanraken, alsof ze vol kleine schobben was. De dik-te van ’t lichaam zelf was Van tweeduym breed , eene byzondere star ver-beeldende met negen korte straalen, bo-ven de zelf-standigheid van ’t lichaamuytstekende, in welker middelpunt eenrond gat of mond was, redelyk groot enomzoomd met twee reyen vezelen. Degrooter straalen waren in haaren omtrekvierkant, eene vinger dik, recht en spitsaflopende , van eene witachtige bleekekleur, en op de oppervlakte getekentmet vlakken , dwarsch overlopende alswolken, gelykende na die van een Tyrgers huyd. De wcerzydsche boveiïcin-