Koophan-
del.
Weten-
schappen.
483
AANHANGSEL VAN DE
ben in de zamenstelling en making vanhun vernisch noch ook niet om hetzelveop te leggen. Wat aangaat dc Siamuen ,al schoon hun Land vol vernisch hoo-rnen is, die zyn zo zeer overgegeven toteen luy , en icedig leven , dat van henniets is te verwachten. Het zal niet qua-lyk voegen hier aan te merken, dat alledeze verschelde , en veele andere hand-werkselen en voortbrengselen van dekunst ,het zy ze volstrekte!yk nodig zynten leeven, of het zy ze allcenlyk dienentot pracht, overdaad en pronk, niet evengelyk goed en konstig gemaakt wordenin alle de Provintien van het Ryk, nochdat zy over al tot den zelven prys wor-den gekocht. Hier om is het het qualykte gelooven, hoe groote Koophandel daargedreven word tuffchen de verscheldeProvintien en gedeeltens van het Ryk.Hoe bezig en vlytig de Kooplieden overal zyn, hoe vol haare havenen van 'sche-pen , hoe veele ryke en bloeyende koop-steden hier en daar door ’tgantlche Ryk!Daar zyn zo veele menleken langs dezeekusten en naby de havens, zulken ge-druysch van riemen en zeylen, zulkemenigten van schepen en lchuyten, zotot gebruyk als tot pleyzier,dat men zichverbeelden zoude, dat de geheele natie zichdaar neergeslagen had,en alle de binnen*landsche deelen ten eenemaal verlaten enleedig. Maar behalven dit alles, heefthet maaksel van haare schepen iets zeerzonderlings in, want onder andere we-zentlyke verschilligheden moeten ze uytkrachte van dc wetten van het Land, hetsteeven ten eenemaal openlaten ( Zie deLi plaat), en dit ten einde om het buy-ten hunne macht te stellen, om van deJapansche kusten tc kunne« ontvlieden,want zo zy zich te ver op dc volle zeewaagden, zouden de schepen water schep-pen, en zy ongetwyffelt en onvermyde-lyk verdrinken.
Indien wy nu voortgaan indeJaponee-sen te beschouwen omtrent wetenschap-pen, en vercieringen en oppronkingen jvan ons verstand en Geest, zal misschien jde Wysgeerte gebrekkelyk bevonden jworden. De Japoneefen zyn in der daadzulke groote vyanden niet van deze we-tenschap, dat zy de geene zouden uyt hetLand bannen,die dezelve oefenen, maarzy oordeelen dat het eene tydkorting is,dienstig in de kloosters, daar deMunni-ken, een luy leven leidende, weinig an-ders te doen hebben, dan hun hoosdendaar mede te breeken. Dit ziet evenwel’t meest op het bespiegelend gedeelte,want omtrent het zedelyke houden zy zein groote achting, zynde van eed hon-
ger en goddelykc afkomst. Zy beken-nen dat zy dit verschuldigt zyn aan dienweergaaloosen Philosoof Kou of Koost, ofgelyk wy Europeaanen hem noemenConfutms , en is omtrent dezelfde,dewel-ke Socrates , die naby de honderd jaarenna Confutius geleeft heeft, door de Grie-ken geoordeelt wierdt, eerst gemeen ge-maakt te hebben aan het Menschdom,nadat ze hem uyt den Hemel zelf geopen-baart was. Ik bekenne, dat zy geheelonkundig zyn in de Musyk, zo ver alsze is een wetenschap, gesticht op zekereregelen van overeenstemming. Insgelyksweten zy niets van de wiskunst,en welinzonderheid van defelfs innerlyker enbelchouwelyker gedeeltens. Nooit heeftymand deze wetenschappen geoefent, on-derzocht en voortgezet, dan wy Europeaa-nen , nochte nooit hebben eenige andereNatiën getracht het verstand te verderenmet het klaar Licht van Wiskunstige enaarttoonende redeneeringen. Hetzelve maggezegt worden van de kennislè Gods,envan het geloof in hem, zo als het strekttot onze Zaligheid door de verdienstenvan Christus. Het is aan deze, andersinsbeschaafde, natie verboden op de aller-zwaarste straffen , de Godsdienst doorhunne voorvaderen beleden teverzaaken,en een vreemde, nieuwe en in den eerstenopslag ongeloosclyke Leere vaneenGodt,die mensch geworden is, en de schande-lyke dood des kruyces geleden heest,totzaligmaking van ’t menschelyk geslachtte omhellen. Omtrent honderd jaarengeleden scheen het Licht van de Christe-lyke religie in volle helderheid in dit uyt-terste einde van het Oosten, maar helaas!het wierd kort daar na uytgebluschtdoorhet bloed van ontelbare Martelaaren, enhet geen te verwonderen is, dat het ge-beurde door de seylen en het quaad ge-drag dier Eerwaarde Vaderen, die hetontstaken met zo veel y ver en onvermoei-der! arbeid. Ik meen, dat de Jesuitenveel beter zouden slagen in de voortzet-ting van ’t Christelyk geloof, en dat zyeen zekerder loon en vergelding zoudentrekken voor hunne zorg en vlytigheid,konden zy zich onthouden van te zeer testeunen op de tcere begintzelen , en vanter zelver tyd aan te houden en te koe-steren te hooge bevattingen van hunneeige voorzichtigheid en bequaamheden.Onverduldig na voorspoedt en geluk,wanneer ’er slechts het allerminste voor-uytzicht is, en greetig om het groot werkvan bekeering te zien tot eeri schielykeen gelukkigen uytslag, doen zy veeltydsI veele andere dingen te zamen medewer-j ken, cn zy bemoeyen zich met zaaken,
Cm
Mi
Kcch
die