46 Aanbotfing van
vi. La. Dit Verschijnsel kan gemakkelijk verklaard worden door het beschou-wen van de eerste Proef van de Aanbotfing van zagte Klei - ballen,vertoond ín de i stc Figuur van Plaat IV.: want indien de Bal A,hier gebruikt, geene Veerkragt had, zou hij (door tegen zijnen e ven-ge lijken Bal B aan te botsen) op de Aanraking de helft van zijne Snel-heid verliezen; maar dewijl de grootheid van den Stoot evengelijk isaan ’tgeen A verliest, moet B, veerkragtig zijnde, ingebogen wordenmet de Kragt, die A verliest; en dewijl Tegenwerking evengelijk isaan Werking, zal B zig in zijne gedaante herstellen met al de Kragtvan den Stoot, die hem ingebogen had, en derhalve aan het aanbot-sende lighaam agt Graden Snelheid geven in den Streek BA, welkeevengelijk aan, en tegenstrijdig met hetgeen A agtergelaten had inden Streek BA, de Beweging van A te niet doet, en hem tot Rustbrengt. Dewijl nu A veerkragtig is, wordt hij in de Aanbotfing even-gelijkelijk met, en zoo wel, als B, ingebogen, en door zig tot zijnevorige gedaante te herstellen, geest hij aan B agt Graden van Snelheidboven de agt, die hij daar aan gegeven had door den Stoot; zoodatB op die wijs 16 Graden van Snelheid heest, dat is, dezelfde Snelheid,als de aanbotsende Bal A.
GEVOLG.
37. Hieruit volgt, dat, welke Graad van Snelheid een lighaam Zon-der Veerkragt mag winnen of verliezen (dat is, mag verkrijgen voor-waarts of agterwaarts) in zijne Aanbotfing met een ander lighaamzonder Veerkragt, het lighaam tweemaal zoo veel Snelheid zal ver-krijgen, indien de lighamen veerkragtig zijn; en derhalve kan men uitde Aanbotfing van lighamen zonder Veerkragt gemakkelijk te wetenkomen, wat 'er geschieden zal in de Aanbotfing van veerkragtige lig-hamen.
II. P R O E F.
rt. v. Laat dezelfde lighamen A en B {Plaat V. Fig. 2.) naar denzelf-Fi£ ' 1 ' den kant loopen, Á met 16 Graden Snelheid, en B met 8. Na deAanbotfing zal A 8, en B 1 6 Graden Snelheid hebben ; dat is, de lig-hamen zullen hunne Snelheden verwisselen.
Was