veerkragtige Lighamen. 47
Was A niet veerkragtig geweest, Jiet zou na de Aanbotsing voort- vi. Les,gegaan zijn met B tot 12, verliezende vier Graden van Snelheid ;maar dewijl het veerkragtig is, moet het ’er agt verliezen, en daaromloopt het maar tot 8 in a. Om dezelfde reden moest B , indien lietniet veerkragtig geweest was, geloopen zijn tot 12, vier Graden vanSnelheid winnende ; maar dewijl het veerkragtig is, moet het 'er nogvier winnen, en gevolgelijk loopen tot 16 in b.
III. PROEF.
Dezelfde lighamen A en B ( Plaat V. Fig. 3.) komende van ver- p L . v.fchülende kanten, botièn volkomenlijk tegen elkander aan, A met 16, F '&- J*en B met 8 Graden Snelheid. A keert te rug tot 8 in en B tot 16in b , hier ook hunne Snelheden verwisselende.
Waren de lighamen van Veerkragt ontbloot geweest, ze zoudenbeide na de Aanootiing voortgegaan zijn naar B met de gemeene Snel-heid 4., dat is, A zou 12 Graden van zijne Snelheid verloren hebbennaar den kant van B ; maar dewijl het veerkragtig is, moet het ’er24, verliezen, of door ’er nog 12 te krijgen in den Streek B A, verliesthet zijne vier Graden naar den kant van B, en gaat nog agt Gradenterug naar den kant van A. Op gelijke wijs zal B, hetwelk, indien't niet veerkragtig geweest was, na de Aanbotsing terug gegaan zijnzou in den Streek A b vier Graden naar den kant van b (verliezende12 Graden van zijne Snelheid) gaan tot A met 1 6 Graden Snelheid,in den Streek BA, of ’tgeen hetzelfde is, nog 12 Graden verkrijgendein den Streek Ab.
IV. PROEF.
Eindelijk laat de lighamen A en B ( slaat V. Fig. 4. ) elkander Fig. 4.ontmoeten, elk met 16 Graden Snelheid. Dan zullen ze na de Aan-botsing van elkander terug vliegen met dezelfde Snelheid.
Waren ze niet veerkragtig geweest, ze zouden beide stil gehoudenhebben in S; maar dewijl elk 16 Graden Snelheid verloren heeft doorde Aanbotsing in S, moet het ’er nog 16 verliezen door de Herstellingvan de Oppervlakte van het andere lighaam. Deze lighamen nu, dieelk 16 Graden Snelheid hadden, konnen ’er geen 32 verliezen, dán
door