i s6 Vermjseïing en zuivering mn LUGT.
branden van Lugt de zelve onbekwaam zou maken voor de ademha-ling , door haar van dien geest te berooven, wilde ik beproeven, ofhet dus met de zaak gelegen waar, of niet, en of het niet liever demanier waar van het branden van de Lugt, die haar schadelijk maaktevoor dieren door het mengen van eenige ongezonde Uitvloeiselen metde gebrande Lugt. Hier toe nam ik dan vele Proeven, waar van ik'er hier maar eenige weinigen zal melden. Aan de Dekplaat van hetOntvang-glas van een Lugt-pomp, gelijk in het II. Deel van dit WerkFlaat XL. Fig. 2 9. vertoond wordt , maakte ik een Kraan vast , eneen kromme geelkoperen Pijp, endigende in een ijzeren Pijp , opdatliet end van die Pijp, gestoken zijnde in een gloejende metalen Teer-ling, niet zou smelten, wanneer men de Lugt, die in het gemeldeOntvang-glas van de Lugt-pomp weer ingelaten zou worden, middendoor de gloejende Teerling liet gaan, eer ze in de Pijp kwam. Wan-neer de Lugt door de gloejende Teerling, en daar op door He ijzerenen vervolgens door de geelkoperen Pijp in het uitgepompte Ontvang-glas was geloopen, kon men (de Kraan boven op de Plaat open staan-de) de Plaat gemakkelijk opligten, hebbende gebrande Lugt zoo veelVeerkragt, als de Lugt, die te voren uit het Ontvang-glas gehaaldwas. Ik heb drie Teerlingen van verschillend Metaal, elk vijf Pondwegende, tot deze Proeven op de volgende wijs gebruikt.
De ijzeren Teerling gloejend heet gemaakt zijnde in een Vuur vanhoutskool, totdat ze zig wit begon te vertonnen , nam ik ze uit hetVuur, en zette ze op een gebakken Heen, stekende het ijzeren endvan de Pijp, die naar het uitgepompte Ontvang-glas liep, bijna eenDuim diep in ’t gat van de Teerling. De Kraan van de Dekplaat vanhet Ontvang-glas omgedraaid hebbende, vulde de buiten 1 ugt, diein het loepen door de Teerling gebrand was, het Ontvang-glas, tot-dat ik 'er de Plaat kon afnemen. Toen stak ik een Sijsje in het Ont-vang-glas, en lei 'er een Plaat op, maar het Vogeltje scheen in den tijdvan een half uur niets te lijden.
Ik bezogt de zelfde Proef met een roodkoperen Teerling, en eentweede Sijsje had geene aandoening van de Lugt , die op deze wijsgebrand was.
Ook nam ik een Proef met een geelkoperen Teerling, niet bovenhalf zoo heet gemaakt, als de ijzeren, of roodkoperen geweest was,en ik vond niet, dat een Vogeltje van ’t zelfde gellagt eenig ongemak
leed;