Band 
Derde deel.
JPEG-Download
 

Van de Buiging van Stralen in hunne Terugkaatsing. 24,1

den ; maar zulk een Vermogen nu voor toegestaan nemende , zullenwe voort gaan in het beschouwen van de Buiging van Ligt stralen.

Laten we onderstellen, dat in een Prisma ABC (Plaat XXVII.

Fig. 4.) het aantrekkende Vermogen van des zelfs onderste Opper- ^ 4,'vlakte ziguitstrekt tot de Lijn m m, en dat een ander Prisma GDF(de aantrekkende Kragt van welkes bovenste Oppervlakte zig nitstrekttot de Lijn nn) zeer digt bij het eerste gebragt wordt. Ter plaatse,daar de aantrekkende Vermogens van de Prismaas tegen elkander ko-men, zullen ze elkander te niet doen, omdat ze in tegenstrijdige Stre-ken werken , en daar door zullen de scheidpalen van beide deOppervlaktens ingekort worden , en het Vermogen van A Bzig niet verder uitstrekkende, dan nn, en het Vermogen van DFniet verder, dan mm, terwijl de ruimte nnrnrn al de kragt verliest,die ze had (en hebben zou op liet wegnemen van één van beide dePrismaas) om een Ligtstraal, die scheuin beweegt, uit zijnen Streekte wenden,

In dezen stand nu van de Prismaas zal een Ligtstraal, loodregt in-gaande in de Oppervlakte CB, ook loodregt door het tweede Prismagaan (niet net in de zelfde Lijn, maar) in een Lijn, evenwijdig metden invallenden Straal. Bij voorbeeld laat de Straal R a (niet gebro-ken wordende op de Oppervlakte CB, omdat hij 'er loodregt op valt)uitschieten uit het eerste Prisma in a in den Streek a r. Dan zal des•zelfs veranderde Streek in a worden a e, en in b zal ze worden b f\of liever de Straal zal gebogen worden tot de kromme Lijn ab, en inb buiten het Vermogen gerakende van de Aantrekking van de Opper-vlakte A B, zal hij (om de gegeven redenen) bewegen in een regteLijn van b tot c, alwaar hij weer naar den anderen weg zal gebogenworden tot de kromme Lijn c d van de zelfde soort, als a b , en ein-delijk uitschieten in den Streek ah, evenwijdig met den eersten StreekR r. Hier uit volgt, dat, wanneer de Prismaas zoo digt bij elkandergebragt worden, dat ze raken, waar door der zelver onderlinge Aan-trekking te niet gedaan wordt, de Ligtstralen niet gebogen zullen wor-den, maar door de twee Prismaas (welke in dit geval het werk van eenevenwijdzijdig Blok doen ) gaan in den zelfden Streek, waar meê zein het eerste Prisma kwamen, en gevolgelijk geene Koleuren vóórt-brengen, tegenstrijdig met het geen van Rizzetti (bladz. 78, 79 envolg.) bevestigd wordt ; en wanneer de Stralen Ka scheuin vallen opIII. Deel. Hh de