Is wolag-tig ruig.
90 D’AMBOINSCHE
haar ge- tanden» en het hooft loopt spits toe» daar kleene oogen digt by malkander staan» of^Zie 'de in de gaten schuilen zonder baarden» doch by den mond staan ten wederzyden 4 ipitzePkrfíXI. klauwen» ’t welk haar handen zyn. Zy heeft tweemerkelykfe groote en lange schaeren,in sterke tangen eindigende» die bloot en wit zyn, gefatzoeneert als den bek van eenPa-pagaai. Hetagterste lidt van deze schaer is » naar gewoonte, schier driekantig, waarvande eene kant gezaagt is ; voorts heeft ze aan ieder zyde vier pooten, van ongelyke grootte »want de twee voorste zyn dë langste, en aan het middelste lidt wat kromgebogen, envoor aan met een korte schérpe klauw als een vogelpoot ; de derde voet is pas half zoolang,, en de vierde is noch kl eender, en staat schier op den rugge j beide gewapend mekkleene ronde klauwen, den angel van een Scorpioen gelyk, doch met dit onderscheid»dat d’ angel van den derden voet inwaarts ziet, en die van den vierden uitwaarts. Tegenover deze klauwtjes ziet men noch een ander en veel korter, met het eerste de gedaantevan een schaer makende, waar mede zyóok nypen kan, ’t welk men ook eenigzins zietaan de twee voorste pooten. De geheele schaal, pooten en schaeren, zyn bekleed met eenvuilgrauwe moschagtigheit, in 't gevoel als wolle laken, doch aan de kanten, schaeren, enpooten, wat ruiger, als borstels, en deze wol hangt haar zoo vast aan, dat men die maar effenafichrapen kan, daar onder ziet men dan de schaal, doorgaans dood bleek, op den rügen aan de schaeren redelyk dikbinnen heeft zy geen byzonderlyk vleesch, maar is volvan een bruinzwarte vochtigheit, die het water paers verft, als men haar kookt. Hetis een leelyk beest van aanzien , en word voor schadelyk gehouden, weshalven deVislchers haar in de Bobbers krygende, strax weder in ’t water imyten.
Haar naam in ’t Latyn is Cancer Lanosus : Maleits Cat tam Bisa , dat is, CancerVenenatus. In ’t Amboíns Tu Teku butta , dat is, een Krabbe die gras of moschdraagt.
Onze Amboineezen, zoo Christenen als Mooren, houden haar voor schadelyk, en smy-ten ze weder weg, als ze hem vangen, doch zoo my dunkt komt dezen af keer meerwegens haare leelyke gedaante, dan uit ervaring. Want daar zyn Natiën die haar Zon-der schroom op kooien braaden en eeten, al het vleesch van ’t zwarte bloed afzonderen-de. Dit doen de Inwoonders van Bonoa en die van Sema. Op de zelve wyze heeftmen genoegzaame ervarenheit, datden Visopblazer gegeèten zynde, doodelykis, noch-tans zyn’er veele die hem zonder schade eeten, als ze maar weeten ’t vleesch af te zon-deren van de slymerige aderen, waar in de schadelykheit steekt. Men hebbe wel aan temerken, dat als men in dit Boek Zegt eenige Krabben venynig te zyn, zulks geschiednaar de gemeene, hoewel dolende manier van spreeken, want ze zyn niet vergiftig éi-gen tlyk genomen, maar hebben een worgende en duizelig makende kragt, die menzom-tyds met enkele Siroop van Suiker, of eenige vettigheit verdry ven kan.
In’t jaar i<>5>2 wierd’er zulkeenèkleene gevangen, die met haar 4. agterste pooteneen Zeegewas» Basta Laut , aan’t eene eind kruiswys en zoodanig gevat had , dat hetop haar lag als of het daar op gegroeit was , en zy bedekte zig daar mede als meteen schild: Zy was ineen Bobber gevangen, eivals zy een tyd lang droog lag, zooschuimbekte zy , en wierp Veele hooge blaasjes op, gekoleurt als schuim van klaaszeepsop.
Een andere Een andere diergelyke Krabbe had haaren geheelen rug bedekt met een Zeegewas, vangíe/î^zyn substantie spongieus, en in veele stompe spitzen of lappen verdeelt, gelyk een koraal-steen» daar een takje van zwart Accarbaar doorliep. Het schynt dat deze Krabbenmet haar ruige ruggen verscheide dingen konnen vatten, en aan zig vast maaken, stee»kende zomtyds haare agterste pooten in deze Tpongieuie gewasten.
En leelykvan a'an-zien.
Haar ver-scheide be-naming.
En wórdvoor onnut
Echter van
anderen
gegeeten.
Hoe bereidwórden.
‘Tot goedésfyze.
Voorvalvan dier-lykereeft.
rug be-groeit,
Cancer Lanoiüs. Zie de Plaat XL N°. 1.
XX. HOOFT'