toi
D‘ AMBOINSCHË
XXI. HOOFTDEEL.
Volutœ. Bia c Tsjintsjìng.
De Volu-tes beschre-ven.
Waar vandeze be-nâmingkomt.
Waarvan veel-derlei soor-ten zyn.
De eerflesoort , isafgebeeldtop de plaat
XXXI.
by letter
A.
Wordenby eenKeizers-rok verge-leken.
Hunne
grootte.
En hoetot fpyzebereidtworden.
Van dézenoch een ,2* soort ,verbeeldtby letter B.
De 2*soort , af-gebeeldt byletter C.
Van dezeis nog eeniM soort.
De 3*soort, aan-
N liet achtste geslacht komen die geene , die wy Volutte noemen ; in 't Duitsch iWellen -, in 't Maleitsch, Bia Tsjintsjing> en Krang lanke -, dit zyn alderhande Vo-lui œ , daar men ringen van maaken kan i hoewel dit laatste eigentlyk op een ze-kere soort past.
Voluta is een kunstwoord uit de Boukunst ontleent, waar door betekent worden dókrullen, die men aan de Jonische en Corinthische pilaaren ziet, naar welkers gelyke-nis deze Hoorntjes genoemt worden : want zy hebben een plat hoofd, uit veele gie-ren in malkander loopende , gemaakt , in form van een linea spiralis , of ilangelyn :het lyf is langwerpig > uit veele nauwe gieren gemaakt, over malkander gerolt, en ach-ter spits toeloopénde , zoo dat ze op het hoofd staande een kegel , of piramide ge-lyken. Hit het gevolg van dat fatzoen, hebben ze een lange stnalle mond, en het Dierheeft gansch geen dekzel, trekkende zich zoo ver naar binnen , dat men niets daar vastziet. In zee zyn ze schier alle met eëne wolachtigheit en ilymerige huid bedekt , dieligtelyk kan afgeschrapt worden. Zy zyn zeer verschillende van fatzoen onder malkan-der , gelyk uit de navolgende soorten blyken zal.
I. Cymhium , gekroonde Bak, of Kroonhoorn , Mal. Bia sempe , by de Inlanders 1van de Zuid-Ooster Eilanden Wina. Deze heeft een verschillend fatzoen van de volgen-de Voluta , want als men hem overeind houd, en van achteren beziet, gelykt hy eestwapenrok, of Keisersrok, ( faludamentum ) boven op met veele tanden , die in eestkring staan, als een kroon; van voren gelykt hy een lângwerpigen Bak, meteenwydestmond, buiten wat ruig, en donkerbruin, hier en daar met groote witachtige plekken»binnen is hy vuilwit, als yvoor; de gieren aan de eene zyde beslaan pas de helft vastde breedte, en daar in legt een groot Dier, van een hard grauwaduig vleesch, blooten zonder dekzel* De grootste zyn ís en 1 6 duimen lang, en $> duimen breed. In Am-,boina vallen ze niet , maar veel in de Zuid-Ooster Eilanden , inzonderheit op Key-De Inlanders eeten het vleesch , de geheele schulpen op kooien braadende, doch degrootste breeken ze de binnenste gieren uit, en maaken daar van bakken en schotels;een profytelyken huisraat, om dat het niet ligt breekt, en als de maaltyd gedaan is,dient ze hun tot hoosvaten, om het water uit hunne vaartuigen te scheppen. Deze uit-geholde vaten brengen ze zomtyds te koop ; maar de geheele kan men qualyk krygen »of men moet ze uitdrukkelyk bestellen. De Chineezen noemen dezen Hoorn, Ongle , dat is,Koningshoorn, en weeten uit zyn binnenste deel aardige lepels te maaken, dewelke mestqualyk kan raaden, van welk een Hoorn zy gemaakt zyn j doch zy dienen best voor ie-mand , die slinks is.
Daar valt noch een kleinder soorte op Ceram , niet boven de 7 of 8 duimen lang ,lichter bruin en gladder, boven op met een smalle kroon, die men zomtyds geheel kry-gen kan, om dat ze te klein zyn, - om 'er bakken uit te maaken.
II. Meta Batyri , Boterweg : deze is onder de Volutœ de grootste ; het hoofd iSwel platachtig , doch aan de kanten rond , en in de midden met een uitsteekestdspitsje, zoo dat hy niet overeind kan staan, over het geheele lyfis hy geel, als boter,met zwarte of bruine stipjes, die in een rye staan, maar aan het hoofd zyn het breedsAderen ofstreepen. Zy worden zelden gevonden, inzonderheit die gaaf en geheel vastschaal zyn ; want dikwyls hebben ze scheuren, of leelyke naaden.
Men heeft hier van noch een kleinder soort, waar aan de Characters ordentlyk staast 1gelyk aan den Muzykhoorn.
III. Voluta mujicaüs , Muzykhoorn, of A. B. boekjes, anders Letterhoorns ; deze iS
à* al-