RARITEIT-KAMER. I Boek. 29
ín de groote Indische Zee, tuflchen ‘Per sien en MaUabaar 3 ontmoet stien dikwilsinz ee groote stukken en velden, die gansch bloedrood zyn, zoo hoog en levend vankoleur, dat men zoude meenen Carmozyn en Purper daar mede te konnen verwen »als men hier van wat opschépt , bevind men het Water vol kleéne blaasjes, als ofet enkel qualletjes waren , doch allegaar met een flymerigheit aan malkanderangende, die niet brand, en als mén ze een weinig handelt » versmelten ze t’eene-maal ín water -. onze Zeelieden noemen dit de Roode Lappen. Roode ba\
Hier van verschilt de roode koleur» die men op zekere tyden des /aars aanWater van t Roode Meer gewaar Word, waar van my een zekere Schipper heeftver aa 15 dat als hy in ’t Roode Meer voor de Stadt Mocha lag , de Zee eerst™ wierd als melk , daar na bruinrood, doch zoodanig als of het maar eenWeerchyn Was, en dit duurde omtrent 10 dagen. De Inlanders verklaarden hemat it /aarlyks omtrent September geschiedde, doch de oorzaak wisten ze hem niette zeggen.
XXVII. HOOF TÖEEL,
Van den Fëdiculus Adarinus : Foiof\. 2jeeluiï
D it is een gemengt fatzoen van een Garneel en een L uis ; wánt hy strekt zyne De Zeeluis,pooten niét ver uit» en daarom gélykt hy wel een luis. Hy is een halvevinger lang, en een duim breed. Het lyf bestaat uit eene schaal, die bruin g de^geel is, met kleehe witte plekken of oogjes. Aan ieder zyde heeft hy 5 poo- n<>. 3, 'ten» Waar van de voorste de langste is, in plaats vaneen schaer; de 4 andere eindigenin een kleen lapje, ’t welk effen buiten de schaal voortkykt. De staert is fraai enloopt spits toe, en zoo lang, dat als zy hem onder ’t lyf komt » schier aan ’t hooftraakt» van onderen hol als een geut, daarin zy hunne eyertjes verbergen- Áán ’t hooftziet men niets dan twee korte baarden.
Deze diertjes kruipen op het zand, met den staert agter uitgestrekt ; maar als men vtr 'ze vangen wil » verbergen ze zich terstond in ’t zand, daar men ze gemakkelyk uitgra-ven kan. In onzen Amboihzen Inham vallen ze kleen, schaars een lidt Van een vingerlang, maar in Banda zyn ze gröoter, daar men ’er ook.meer werk van maakt; want ze % y » ee t-Worden gekookt en gegeeten als garneelem iaar ‘
Zy zyn my ook met geenen anderen naam bekent, dan met den Bandaazen Fotek. Híl!í bemIk heb ze in ’t Latyn genoemt Pediculm Martnw , dat is, Zeeluis. m 5
Pediculus Marinus, ás de Zeeluis. Zie de Plaat N». X. N°. 3.
XXVIII H O O F T D E E L.
Van den EJchinus Marinus Ejculentus. Zeettppel.- Serua/^é.
^ Zeeappel is in Oost-Indiën al Zoo gemeen als in de Middelandfche Zee, ing^A^verschelde soorten, gedaante en koleur verdeelt» waar van de gemeene metde Europische meest over een komen. Arifloteles ïïb. 4. Hifi. Animal, tap- 5. Arjstoteks1 Sts 5 soorten van den Echimts Mar mus , als ij Echinusvulgaris esculentus. ^ oor
P agv.s , 3 Brijfus , 4 Echinometra , f Genus quoddam pelagium longis ac praduris
D * fpinis.