RARITEIT-KAMER. II Boek. w
rugge , zoo dat ze bykans de helft van den omloop bestaat. Hier uit volgt dat dit ge-slacht van tyd tot tyd zynen mond aan de schaal verandere, of na ’t vervolg van draai-dingen voortzette. De tweede manier geschied door uitrekking over ’t geheele lyf naar De tweedealle kanten , (per extenfionem totius corporis tefiacei') want dit stag behoud altyd een mamer -en den zelfden mond, maar het geheele lyf word grooter Naar deze manier groeijenalle Porcellana en Cauris. De derde manier geschied door toezet en uitrekking te ge- De derde.lyk , (per appojïtionem & extenfionemsimid ) gelyk doen alle Schulpen , Mosselen enOesters, die niet alleen aan den voorsten rand een toezet krygen, maar de schaal in zichZelfs , of veel meer haare blikken [ Lamella ] worden over ’t geheele lyf ook dikker,krygende, zoo t’ fchynt, haar voedsel uit dunne adertjes die aan den Spondylo vast zyn.
Doch by alle staat aan te merken, dat de oude deel en der schaalen , inzonderheid aan Aanmer-haar buitenste huid en uitsteekende hoornen , zoo veel voedsel niet meer krygen , ofZoo veel invloeijing van het dier niet meer hebben , als de jongste toezet ; want allehoekken, doornen of nagels, die eens volmaakt zynde afgebrooken worden, groeijenniet weder aan.
II. HOOFTDEEL.
Nautilus Major Jive crajfus : Bia papeda.
Oor het eerste geslacht van de efenschaalige en gedraayde hoorentjes, stellen De Nau-wy die geene , dewelke van binnen een Paerlemoer schaal hebben, of im- tllm à-
J u ]or eerjie
mers zoodanig blinken als of het Paerlemoer was. Deze zyn van vericheide gejlacht.gedaanten , waar onder uitmunt de Nautilus , draagende eene gemengde natuur van, Visch en Schulpen, waar in hy van alle andere Schaal visschen verschilt ; want de Vischdie daar in woont of die deze Schulp formeert, is een slag van den Tolypus of Veel voet,
Verdeelt in twee soorten grove en fyne , die wy ieder zyn byzonder hoofdstuk zullengeeven.
Nautilus Major Jive crajfus , is het geen men in ’c gemeen Paerlemoer hooren noemt, Dezelve
Waar van wy de twee voornaamste deden , ieder in ’t byzonder , beschryvén zullen, h fjj ree '
teweetenj de Schaal of het Huisje, en den Visch die daar in woont. De schaal heeft de ge- Zyne g*.
daante van een gemeene Slekke, of yan dat verdichte hooren [ Cornu Ammonis , ] of ook
^vel van een rond bootje ; want de kiel is recht rond, van vooren naar achteren omtrent P aatr . 3 N. XVII.
0 en 7 duimen lang , het voorste deel maakt het Bootje , ’t welk boven open staat letter A.
4 en y dwers vingers breed. De achtersteven verheft zich boven deze vlakte met eenr °nde krul, die in zich zelf gedraayd en gewonden is, nergens geopent, maar ganschtoe verwulft. Van het hol of ruim des Boots is hy van binnen afgescheiden door een af-fchutzel, \JParietem intergerinum ] in wiens midden een rond gaatje is, daar een dikkebaalde door kan , van buiten wyd, en van binnen in een kort pypje eindigende. De iy tinnenkrul is van binnen verdeelt in ontelbaare Kamertjes , door diergelyke Scheids-Muuren ^Kamertjes^le in de midden het voorfchreeven gaatje hebbende. De schaal heeft twee korsten vast .
°P malkander liggende, en echter qualyk de dikte van een mes uitmaakende. De bui- y plaattenste korst is grof gelyk aan andere schulpen en met fyne scheurtjes, wat oneffen, vuil jjfjj°f bleek wit j aan de kiel van eenekoleur, naar achteren, daar de krul begint, is ze over- M 0r i ac h-dwars, met veele bruine en breede banden geteekend, dewelke allenxkens stnaller wer-den. tot aan het opperste van de krul : De ander helft der krul naar binnen ziende , is^Wart en het onderste deel zilver verwig. De binnenste korst is tweederlei, want die van En binnent Bootje is schoon Paerlemoer verwig , doch meer groen en rood vertoonende , een ïfffjf^eerschyn als een reegenboog van zich geevende, doch niet doorschynend al is ze schoonS e maakt, wanneer ze schaars de dikte van een half mes behoud. De scheids-muuren,
H 2 of
/