<$4
v' amboinsché
De Nau-tilus Mi-nor be-
hlebbeneyers enhoe diezyn.
schaal, hebbende geene ader in de krul vast gelyk de voorgaande ; weshalven hy ook'Enkoomt Z eer ligt uit zyne schaal geslingert word, dewelke als dan op ’t water komt dry ven,verhezen, en , by een gelukje , door dé vislchers opgevangen word , eer ze tegens de klippenHoehyop iu stukken geilaagen word. Op den grond van de zee keert hy het bootje om, en gaatÍn ^weeder op den kop, gelyk hy dok gezien word met den kiel om hoog Z als hy eerst boven koomt,^koimp maar keert behendig het bootje om, en hoost het water uit, dat hy dryven kan ; de baar-den als gezëgt, in eene rooze uitbreidende. Men heeft ze ook gezien, dat ze ondereen groot blad van een boom met de baarden vast hingen , en daar onder schuilendegingen dryven. De oogen zyn niet hol gelyk aan de voorgaande, maar vol en klaar.
De kleene Nautilus is aan vifch en structure der schaale de voorgaande meest gelyk,doch veel kleender en wyder van boot , drie en 4 duimen lang , twee en drie vinge-^Haar™’ rcn ’ met een hreede kiel, die in mindere en stompere kerven verdeelt is, endier-gedaante , halven ook minder plooijen heeft , die mede schuins en bochtig naar het middelpunt'v? plaat' ¥ à krul loopen. De schaal is zoo zuiver noch wit niet als aan de voorgaande, maarvuil hoorenverwig en als berookt , de kanten aan de kiel zyn mede zwart, evenwelmet veel waslchen in zeepwater en bleeken kan men ze eenigzins witter krygen. DeIs van vifch is als aan de voorgaande, en hy gebruikt zyne baarden ook op dezelfde manier ,natuur als doch word meer roeijende dan zeilende gevonden , inzonderheid ondèr bladeren én dryf-de voor- Kouten zich verbergende ; anders houd hy zich meest op den grond, en komt zom-tyds ook in de vifch-fuyken, weshalven hy meer gezien word dan de voorgaande.
Of deze beide visschen uit hunne schaal vallende op zich Zelfs in zee water leeven kon-»nen, is onzeeker: Immers ik heb ze versch uit zee gebragt gehad, dewelke straksstierven, al deed ik ze in ’t water. Ik heb ook eyers in hunnen buyk gevonden, zynderonde witte korlen aan een klomp hangende, en ieder hadde boven op een zwart stip-je als een oog. Zy beide hebben ook diergelyke zwarte snebben of een kakatoès bek » diediep onder ’t vleesch verborgen legt. Op den bodem van de carina of schulpe vind meneen klontje eyers of kuyt van gedaante of verwè gelyk andere vischkuyt, en 't geheelsklontje is omgeeven met een dun vliesje; al is het geheele huysje niet grooter dan eenvinger, zoo hebben ze echter een eyerstok, als een kuilen, op de kiel leggende.
Hun naam in ’t Latyn is Nautilus tenuis & legitimus , en zyn Bootje Carina Nau-tili. Neerd, Doekhuyven , van de veeleplooyen. Mal . Roéma gorita ■> dat is, ’Domunculd' 7 aíitn yde Tol yP l 3 gelyk kom ook de Grieken O-vum T olypinotmcn. Amboinfch Kika wawutia.w°rd Deez hooren word zoo zelden gevonden, dat het in Indien zelfs hoog geschat word.vondenf * De Inlanders houden’t voor een gelukkig teelten, als zy het vinden, en bewaaren hetEn van onder hunne schatten, hetzelve zelden vertoonende dan op feest-dagen en openbaarsnen op vrolikheeden, wanneer de vrouwen hetzelve voor den dag brengén, als ze den ron-haar feest- áu dans, Lego Lego , aanstellen ; daar dan de voordanzersche deez hooren verhoevenop de rechter hand draagt} doch zy zyn ’er zoo vies met mede, al is zy wat berookt,gescheurt en vol gaten; daarom men ze by tyds met geld of goede woorden uit hun-ne handen moet krygen, als men ze ongeschonden hebben wil ; voor het gemeens slag,in wiens boot 4 of y mutsjes water gaan, betaalt men zonder te dingen 1 Ryxdaalder, dochmen heeft ze namaals daar voor niet meer konnen hebben, en daar zyn’er geweest van8 mutsjes, of een Zeeuschekan, daar men p Ryxdaalders voor het stuk gegeeven heeft,om dat ze ongemeen zyn, en boven die maat heb ik’er geen gezien. Die van de tweedesoorte zyn slecht en van geene waardye. Een zeltzaam voorval moet ik hier omtrentverhaalen. Een Zee-Arent, [. Haliaetos ] zynde een vogel die geduirig op zee gaat7n dm ”* rooven , nam zulk een Nautilus , in Zee dryvende, op, en voerde hem in de lucht, dochNautilus, dewyl het hem meest om den vifch te doen was , en hy zig om de rariteyt niet veelscheerde, sloeg hy zyne klauwen meest in den vifch, waar door hem het hooren quatìte ontvallen, dat door een zeltzaam geval tuslchen de klippen op een zandplekje zoo-daanig viel, dat daar van niets gebrooken wierd, dan een kleen hoekje aan den voorsten,rand; en een visscher daar omtrent zwervende, nam het vaardig op en bragt het by
sny*
Dunnebenaa-ming in
bruykt.
Hunne
waarde.
Vreemdvoorvaltujstchen