Buch 
D 'Amboinsche Rariteitkamer : behelzende eene Beschryvinge van allerhande zoo weeke als harde Schaalvisschen, te weeten raare Krabben, Kreeften en diergelyke Zeedieren als mede allerhande Hoorntjes en Schulpen, die men in d'Amboinsche Zee vindt / beschreven door Georgius Everhardus Rumphius : daar beneven zommige Mineraalen, Gesteenten, en soorten van Aarde, die in d'Amboinsche, en zommige omleggende Eilanden gevonden worden ...
Entstehung
JPEG-Download
 

Omstan-dige rede-nen daarvan.

Waaromdez£lvezeer zel-den onbe-schadigtgevondenworden.

Haar be-naamingin ver-scheidentaaien.

Waar de-Z elze ge-vondenworden.

En hoe-men dieschoonmaakt.

2 Soort.Caffis ru-bra. Zjehaar ge-daante ofde slaat

XXIII.

letter B.

Waar zyzich ont-houden.

go D AMBOINSCHE

dewelke dan over de Voorige lippen overgaande, moet het dier noodzakelykj dooreeningeboorene doch wonderlyke eigenschap, al het geen, dat hem in den weg tegenstaat,wederom konen wech ruimen en nederleggen. Dit kan men klaarlyk zien ? als men dehoorens in stukken staat > wanneer men aan de binnenste gieren niet dan kleine over-blyfzelfs van de oude lippen ziet, die echter klaarlyk aan de buitenste voluta bespeurtworden ; en dit moet men mede verstaan van alle de volgende horentjes dezes gestaehts,inzonderheit van,den Murex aculeatus. Als deze hooren nu zoo groot word als eenmans hóófd, dan heeft hy zoo veele kleine bulten nier meer, maar alleenlyk vier ofvyf uitsteekende stompe horens ; aan den bovensten omloop, gelyk de stompen vande éérst uitkomende horens aan een bok, bly Vende de voorige mindere bultjes nochál kennelyk aan de binnenste omloopen van de voluta ; de buitenste lip is als dan zeerdik en breed uitwaart* omgewelt, en daar achter met breede zwarte streepen ; de bui-tenste schaal is zonder glans, doch Zuyver en mooi gespikkeld ; maar hebben dat ge-brek, dat ze dikwyls met zeegruis bewasten en gansch dood zyn, te weeten, zoo verrezy met den rugge boven het zand uitsteeken, want zy leggen voort meeste deel int zand begraaven ; dit zeegruis vreet ook zomtyds zoo diep in, dat ze gaatjes enkuyltjes in de schaal maaken, en de horens zyn dikwyls wel half uitgevreeten. Hetdier heeft een dun taai vleeich, van vooren bedekt met een langwerpig dun beentje,honigverwig en wat getand, een klauw van een en grooten vogel gelykende.

Haar naam int Latyn is Caffis Cornuta. Neerd. Gehoorende stormhoeden of Ossen-koppen. Maleitich Bia Cabesette en krang boekoe. Amb. Hubuffiuta , van de zelfde bedui-denisle. Boetons Tandaca. Men kan ze niet wel onder eenig bekend gestacht van deoude naatnen brengen, doch mes den Murex zouden ze ten naasten by wei over eenkomen. Ik bevinde wel dat d' Aporrhais van Ariftoteles by zommigen op deze manierbeschreven of afgeteikent word ; doch dewyl d Jlporrhais , volgens zynen naam;, eenegroote stekke is, die, als eenen klompigen steen, van de klippen afhangt, als of zedaar op druypen wilde ; zoo kan het onzen stormhoed niet zyn, dien men andersniet vind dan int zand begraaven, zomtyds geheel, zomtyds met den rugge wat uit-steekende. Men vind ze op vlakke zandige stranden, in de Liaslêriche Eilanden, in-zonderheit op Oma voor Haroeko. De Inlanders leggen ze zoo geheel op kooien ,braden ze, en staan de huyden in stukken, om het vleesch daar uit te haaien. Diemen tot rariteiten bewaaren wil », moeten geheel onder het zand uitgegraaven , en van eestmiddelbaare grootte zyn, want deze zyn zuyver van schaal, en de zwartbruine plekkenvertonnen zich doort boenen ; anders alser noch wat dun zeegruis op zit, moet mestze eenige dagen in den regen leggen, met zand schuuren, en met sterk water overstry-ken; doch als dan moeter geen vleesch meer in zyn, want de stym vant doodsvleeseh, daar uit loopende, bederft den schoonen glans aan de onderste zyde,t welkmen dood noemt, en met geen konst te herstellen is ; en dit moet van alle gladde ho-rentjes verstaan worden.

II. Caffis rubra. Roode stormhoed; dit is een raar slach en word weinig gevonden,kleinder dan de voorgaande, omtrent 2 vuysten groot; de voluta met haarspitzepuyltwat meer uit, en de rug is bezet met ronde, en niet hooge knobbelen, tuslehen wel-ke de schaal met korte groeven en ribben verciert is, zwartbruyn en rosachtig, geschil-dert als de veêren van een hoen ; de buyk of de mond is rood, als rauw en bloedig vleeich,gelyk mede de binnenvlakte, aan den eenen kant van den mond, ook omgekrult is;het vleesch vant dier trekt ook naar den rooden. Men vind ze mede int zand be-graaven, gelyk de voorige met den rugge zomtyds wat uitsteekende, dewelke dan zooverre begroeit zyn, zoo dat ze niet schoon gemaakt konen worden ; maar die men ondert zand vind, zyn doorgaans schoon , glad én blinkende ; men vind ze weinig, en schieralleen op de Eilanden Manipa en Bonoa, waarom ze onder de voornaamste rariteitengerekent worden; men vind ze veel op Boeton, en worden van de Maleijers zeer ge-zocht omer bonte arm-ringen van te maaken.

III. Cas-