R ARITEIT-K AMER. II Boek. i 9
Cjës i inzonderheit alle Mûrie es > hunnen mond dicht toestuiten, welk schildje Zy bovenhun neus aan ’t voorhoofd vast hebben : waar door Nicölam Mirepficus ook kan staande % gelykgehouden worden, dewelke oordeelt, dat Onyx een beentje uit de neus van een Purpurflekis : het zeggen van de Nar dm rykke poelen , kan men tweezins verstaan ; of dat boven repsicus.aan den Ganges in der daad bergen zyn, die de Nar dm draagen, en aan wiens voeten zoo-daanige moeraslige velden zyn, in welke diergelykeSlekken of Hoorentjesgroeijen, díeeen Onyx hebben, ’t welk wy zoo even met het voorbeeld van Makkaíïàr bewezen, enWaar van de beste loort by Dioscorides , Nar dm Gangitis hygenoemt word ; of Diosco-rides kan dezen misgreep van den gemeenen man gevolgt hebben, die het Malabathrumtoenmaals ook Nar dm noemden , ’t welk , naar zyn schryven , in moerassige plaat-sen groeijen wil > zynde hedendaags in Europa onbekent , hoewel de nieuwe kruid-kenners de bladen van de wilde kaneel daar voor houden. Over den reuk moet men niet Zyn reukveel haairklooven , of dezelve welriekend, of sterkriekend moet overgezet worden 5 want veracht*Wy hebben boven gezegt, dat hy van zich zelf, en alleen gerooken, niet zeer aan- m J an fgenaam is, en dat van destèlfs reuk naar ’t verschil der neuzen geoordeelt word : want mmdt.hy zal den een en zwaar voorkomen, naar Caftoreum , Bitumen of gebraade Garneelentrekkende i andere (gelyk meest onze Inlanders} houden hem voor liestyk, enverge-lyken hem by Cafiurï-, dat is, Muskus. y
De namen van deze y welriekende Nagelen , zyn in ’t Latyn Unguis odoratus , HaareOnyx marina , en Cönchula Indica , de platte dunne soorten in ’t byzonder, met eennieuw Griekfch woord Blattion By zant ion , en in de Apotheeken Blatta Byzantia : in ’tArabisch Adfaro tibi , of naar de gemeenen uitspraak Adfar alt'ibi , dat is, welriekende En waar-Klauw. By Tlinius Lib. 3 2. Cap. 1 o. vind men ook Oftracion , naar de gelykenislê van een ° m ‘potscherf: by de Hebreen Schechelet : in’t Malei tsch Unam en UnamCarbou: in’tMak-kastàarsch , ’t welk ook Maleitsch is, Ambelau : in ’t Boetonsch Lacca nuga : in ’t AmboiriichLaynoa matta : in ’t Chineesch Lep en Hiole ; andere noemen dien in ’t byzonder Tankanuda , den kleinen Onyx , en Ambelau of Unam Carbon den grooten. Het Schecheleth ,
Exod. xxx. sí. 34. zynde een van die vier dingen, waar uit het heilige reukwerk ge-maakt wierd, word van meest alle de Overzetters vertaalt, Onyx-, hetwelk my ook hetWaarschynlykste voorkomt : echter heeft het den geleerden Samuel Bochartus •> in zyn Bochar-Nierozoico Lib. v. Cap. zo.p. 808. behaagt, het zelve over te zetten, Bdeüium-> uitinzigt zoo het schynt, om dat de Jonge Rabbynen, die meest in Europa geleeft heb-ben, t’ zelve hebben gehouden voor een wortel, of iets, dat van een plan-
te komt, gelyk het de Hoogduitfche Joden noch noemen Nagelwortelen, ziende op. het kruid Caryophyllata ; ook heeft hy in Galenm geleezen , dat het zwarte Bdellium.
Sommige witte plekken heeft , die hy wegens de overeenkomst met menfche nagelen,
Onyx noemt j waar uit Bochartm bestuit, dat Schechelet , Bdellium moest zyn > maar Ente-dewyl men nergens leest noch hoort, dat Bdellium onder reukwerk gebruikt word, waartoe, daarentegen, by alle Oosterfche natiën de Onyx marina gebruikt word, zoo doetmen veel beter, dat men by de voorige overzetting blyft. Men behoeft ookgeenezwa- Bmeffemtigheit te maaken , waar van daan de Istaëliten in de Woestyne dezen Onyx gehaast Twarighe-hebben, die zoo verre uit zee komt, daar ze het Bdellium en Ladanum uit het naaste Ara- j™ î-bien genoegzaam konden bekomen : want uit Dioscoridus , op de bovengenoemde plaats,blykt alrede, dat de beste Onyx quam uit het roode mest, en de kleine zwarte uit Babylonien ,derwaarts hy gebragt wierd uit Bajfora en de Periiiche zee ; en dus hebben zy dien immersv an wederzyden konnen krygen. Tot bewyshier van dient inzonderheit een plaats uit Al- Encasuinot in zyn Traktaat van de Waterdieren, in ’t Hooftdeel van Itar , gelyk hy de- ^digt.
2e n Unguis noemt, die zeer overeenstemmende met den text van Dioscorides is. Bo~c hart . p. 8 cd. Avicenna in ’t Hooftdeel van Aphdar of Unguis odoratuSi na dat hy de woor-den van Dioscorides verhaast heest, doet hy 'er van het zyne noch dit by : dat de beste&ngues komen uit het Roode mest van Mecha en de Zeehaven Judda , die goed vanre uk zyn , en de gebruikelykste in de Geneeskunst. Vervolgens haast hy noch meer
M andere
lost.
tv er*