lenvan
RARITEIT-K AMER. II Boek. 5.1
ÏV. Cochlea pennata altera , is ronder dan de voorgaande , ook dunner van schaal 3 De Apby na als parkement 3 waarom ze de Inlanders by een Ajuyn-schelle vergelyken 3 en daar- jjfom eigentlyk Culit bawang genaamü word; zy isganichlicht, als’t beest daar uit is, lietWelks gelyk in de voorige en volgende3 mede bloot legt zonder eenig dekzel.
V. Cochlea patula. Neerd. Wydmonder 3 is by na niets dan een gaapende mond 3 Dewet weinige gieren schielyk toeloopende ; de schaal is zeer diks steenhards doch by ^Zleeldeden mond dun en kartelig, voorts rimpelig 3 op den rugge grauw met zwarte en witte byUtter%*plekjes ; de mond word gesloten met een dun en zwart bruin dekzel. D’ eene soort isgrooter dan een Eenden-ei 3 en word zelden gevonden. Een ander soort is veel kleinsder en bultiger, grauw en kalkachtig.
VI. Rapa. Neerd. een Knol 3 is rond van lichaam 3 met een plat hoofd 3 en Mìter De 6*keest ze een korte gekrulde staert 3 gelyk een verkens staerts dun en licht vaniíchaal /dsliterF.Wat ruig en gerimpelt 3 licht citroen geel 3 en zelden te vinden.
VII. Bulla. Neerd. Blaasjes 3 dat is een byzonder fatzoen van Slekken in malkan- De 7*der gerolt a met weinige gieren , en eenen langwerpige wyden mond 3 wiens buiten-
kant langer is dan het overige lyfs verdeelt in drie soorfen : De eerste , is de grootste ^en dikste van schaal , zoo groot als een ronde Pruims en overA’ geheele lyfgeipikkelts bruin 3 G. en H.en zwart 3 op de manier als de Kievits-eijeren 3 en met eene slymerigheit overtogen,
De tweede } is dun van schaal en wyder van mond 3 HMcwit 3 en heel fyn gestreept te pof gevoorent. De derde soort, is de kleinste en aldWunste 3 by na als een water- soort: fblaas 3 mede wit 3 doch over dwars geteikent met veele zwartachtige en bruine streepen.
De eerste en tweede soorten zyn gemeen; maar de derde is raar; als deze laatste met Zyn uit %Zwarte en roode streepen getekent zyn 3 noemt men ze Prince vlaggetjes. zaam '
VIII. Cochlea Imbrium . Mal. Bia Ribut , is een plàtachtige Slek met een spits DeZst*hoofd 3 en een nauwen mond 3 binnen diep gekartelt en aan de kanten omgeworpen ; dood'^èzeT'Van verwe met donkerbruin geschildert, en aan de zyden met breede zwartachtige stree- ™ et laurpen 3 als of het voeten waren ; de tegen overstaande kant van den mond is mede watscherp, zoo dat ze een platte Kikvorsch gelykt; zy is van geen ïnboi fatzoen of koleur,behalven dat men zommige bewaart, om dat men de gedaante v^n een dier met pooten
daar uit bespeuren kan. Men vind ze omtrent den zeekant, onde£ het verrotte ruigte ysPföar**-,bladen en houtjes, zoo wel op strand als land waart in ; ja dikwyls'óp de bergen, daar ^oncÈngeen omgang van menschen is, en ook mef v^arschynlyk » 'dat ze 'van strand schielykderwaarts zouden gekropen zyn ; derh&lytn^het algemeen gevoelen is , dat ze door en hoe,de wind by sterken regen beneden opgeraapt, ■ er^daar neer geworpen M kàn : doch mydunkt waarschynlyker 3 dat ze door den* regen àmaar geteelt worden'^fcrdat men ze200 wel klein als groot vindt.
IX. Ficus. Neerd. eenVyg, by andere gbhtamteen Luit, is mede een Slek ván een Deptibyzonder fatzoen; want het lyf is rond, met een plat hoofd, en achter loopt het (mal
f oe, gelyk een Peer; wyd en langwerpig van mond, dun van schaal, donkergrauw of ‘£ e * gewe *aard ver wig , zonder glans, by na rimpelig en ruig ; wford echter onder de Rariteitenbewaart 1 ^
X. Umbilicata , is een plat gedrukte Slek , beneden fgansch plat , boven ten wei-
nig verheven , en met veele sinalle gieren ín malkander loopende , aan de kanten beeütlyykscherp ; van onderen maakt ze de gedaante van een navel, doch omtrent het middel- letier CMpunt ziet men een open , en aan de kanten gekartelt kuiltje ; de bovenste vlakte is En om-Cen weinig gerimpelt, boven met bruinachtige en witte kringen tuslchen beiden, met ^ehrfvenTkorte fyne vooren ; de mond is smal met een- dun dekzeltje : Daar van zyn noch tweekleinder soorten , pas zoo groot als de nagel van een vinger ; waar van de eene meerverheven, grauw, rimpelig, en zonder glans is ; de tweede is platter 3 niet rimpelig,
*huar glad, met lichtbruine vlammetjes : men zou ze voor Eand-slekken aanzien, 't welk
echter niet zyn, maar houden zich op aan den strand in zeewater. De llit
XI. Arcularia major , is een kleine Slek, zoo groot als een nagel van een duim , soort ^ a f-
M *. - " . . metCS?